Anti-sociale gedragsstoornis | Als agressie te extreem wordt

Het herkennen, de diagnose en de behandeling van een anti-sociale gedragsstoornis
Als agressie te extreem wordt

drs. Tamar de Vos- van der Hoeven - oktober 2000


Liegen, vechten, schelden, spijbelen, vaak ook anti-sociaal gedrag genoemd, bijna iedere ouder krijgt er in meer of mindere mate mee te maken. Bijna alle kinderen vertellen wel eens een leugentje, zelfs de meest gemotiveerde leerling heeft wel eens een baaldag en ook dat rustige kind kan een keer boos worden en een klap uitdelen. Heel normaal gedrag waarvan de ouders absoluut niet hoeven te schrikken.
Maar soms dan komt het gedrag wel erg vaak voor en dan is het belangrijk om als ouder alert te blijven.

Lange tijd is gedacht dat ook vaak voorkomend agressief en anti-sociaal gedrag weinig ernstig was, iets wat bij de ontwikkeling van het kind hoorde en vanzelf wel weer over zou gaan. Maar onderzoek onder chronische delinquenten (delinquenten die steeds opnieuw de fout in gaan) heeft uitgewezen dat hun agressieve gedrag al op de lagere schoolleeftijd aanwezig was.
Dit betekent gelukkig niet dat ieder kind dat agressief is, veel liegt of steelt uitgroeit tot een crimineel, maar het betekent wel dat het belangrijk is om als ouder in te grijpen en vanaf het begin duidelijk te maken hoe verkeerd dit gedrag is.

Anti-sociale gedragsstoornis

Tussen de 33 en 50% van de kinderen die doorverwezen worden voor hulpverlening vertoont agressief en/of anti-sociaal gedrag. Soms is dit een uiting van een onderliggend probleem. Het kind kan zo reageren op problemen thuis, er kan sprake zijn van een probleem met het leggen van sociale contacten, er kan een intelligentie-probleem aan ten grondslag liggen en zo zijn er nog vele problemen die voor agressief gedrag kunnen zorgen.
Maar soms ook is het anti-sociale, agressieve gedrag zelf het probleem en niet slechts een uiting van een ander probleem. We spreken dan van een anti-sociale gedragsstoornis.

De diagnose anti-sociale gedragsstoornis ( CD, Conduct Disorder) wordt gesteld wanneer het gedrag minimaal 6 maanden aanwezig is en er minstens drie van de volgende gedragingen regelmatig waargenomen worden bij het kind: stelen, weglopen, liegen, brandjes stichten, spijbelen, inbreken, vernieling aanrichten, dieren mishandelen, vechten met gebruik van een wapen, mishandeling en aanranding. Het gaat hierbij dus om ernstige problematiek, niet om kinderen die regelmatig vechten op het schoolplein of vaak een leugentje vertellen.
Naast de hier bovenstaande gedragingen zien we ook nog een aantal kenmerken die vaak met de stoornis samenhangen. Zo is er meestal sprake van een wat lager IQ en slechte schoolprestaties. Vaak worden er ook hyperactiviteit en aandachtsproblemen waargenomen. Onderzoek heeft uitgewezen dat kinderen met een anti-sociale gedragsstoornis vaak contacten met anderen verkeerd inschatten. Ze kunnen zich heel moeilijk in de gevoelens van een ander verplaatsen, voelen zich heel snel aangevallen en interpreteren neutrale gedragingen als vijandig. Ze hebben veel moeite met het aangaan en onderhouden van relaties, zowel met leeftijdgenoten als met volwassenen.
De anti-sociale gedragsstoornis wordt bij zo'n 9% van de jongens en zo'n 2% van de meisjes onder de 18 jaar waargenomen.

Er kan onderscheidt gemaakt worden tussen een aantal verschillende types van de anti-sociale gedragsstoornis. Enerzijds is er de groep kinderen die vooral agressief gedrag vertoont (vechten, liegen mishandeling, aanranding) en anderzijds de groep kinderen die vooral delinquent gedrag vertoont (stelen, vernielen, brandjes stichten, inbreken). En daarnaast kan er nog onderscheid gemaakt worden tussen kinderen die erg individueel ingesteld zijn, die vaak ernstige contactproblemen hebben en kinderen die in groepsverband hun gedrag uiten. Deze laatste groep zijn kinderen bij wie het contact met leeftijdsgenoten voor hen wel belangrijk is, maar het contact blijft heel oppervlakkig en wordt alleen gemaakt als ze er zelf beter van kunnen worden.

Vaak zien we dat er problemen zijn tussen de ouders en het kind. Er is binnen het gezin een gebrek aan structuur en rust en de ouders zijn geen goed voorbeeld. Soms zien we ook agressief of delinquent gedrag bij de ouders. Het kind krijgt hierdoor een geheel verkeerd voorbeeld. In flink wat gevallen is er ook sprake van veel boosheid en irritatie binnen het gezin en er is weinig onderlinge steun.
Regelmatig zien we bij kinderen met dit probleem ook een incompleet of gescheiden gezinnen. Dit kan drie dingen als gevolg hebben. Het kind krijgt te weinig aandacht doordat er problemen zijn in het gezin, het kind krijgt het verkeerde voorbeeld van zijn ruziënde ouders en de ouderlijke controle neemt af doordat de ouder er alleen voor komt te staan. Dit alles kan bijdragen aan het ontstaan van een anti-sociale gedragsstoornis.

Maar ook biologisch lijken er een aantal dingen van invloed te zijn op het ontstaan van deze gedragsstoornis. Deze kinderen blijken vaak minder angstig te zijn en ook minder gevoelig voor prikkels te zijn. Hierdoor zoeken ze steeds 'spannender' situaties op om toch geprikkeld te worden. Ook kunnen ze hun aandacht maar kort vasthouden en gaan ze heel snel opzoek naar nieuwe dingen en uitdagingen.
Erfelijkheid lijkt maar een geringe rol te spelen. Wel kunnen erfelijke factoren leiden tot een temperament wat samen met factoren uit de omgeving kan leiden tot een anti-sociale gedragsstoornis.

Behandelingsmogelijkheden

Voor dat er een keuze gemaakt kan worden voor een bepaalde behandeling, moet er eerst gekeken worden wat het gezin nog aan kan. Als het gezin hier toe in staat is wordt het kind behandeld terwijl het thuis blijft wonen. Anders wordt het kind uit huis geplaatst.
Wanneer behandeling mogelijk is terwijl het kind thuis blijft wonen zijn er de volgende mogelijkheden:

Ouderbegeleiding: De ouders leren via beloning van positief gedrag, en lichte straf bij ongewenst gedrag, het gedrag van hun kind te beïnvloeden. Ook wordt de ouders geholpen meer structuur aan te brengen in het gezin. Belangrijk is dat de ouders leren hoe ze het gedrag van hun kind kunnen afkeuren, zonder het kind zelf af te keuren. Daarnaast wordt de ouders geleerd hoe ze hun kind alternatief gedrag kunnen aanleren.

Gezinstherapie: Het hele gezin ontvangt begeleiding. Er wordt gewerkt aan beloning van positief gedrag en betere communicatie. Er wordt met de gezinsleden gesproken over wat ze van elkaar verwachten en hoe problemen tussen de verschillende gezinsleden opgelost kunnen worden. Door de gezinssituatie te verbeteren wordt er naar gestreefd het probleemgedrag te doen afnemen.

Cognitieve therapie: Het kind leert hoe het conflicten op een andere manier kan oplossen en hoe het situaties anders kan interpreteren. Ook wordt het kind geleerd hoe het beter de gevolgen van zijn of haar gedrag kan inschatten. Het kind wordt geleerd te denken voordat het doet.

Groepstherapie: Het doel hierbij is dat kinderen van elkaar kunnen leren. Door te zien hoe andere kinderen de fout ingaan of een situatie juist goed aanpakken, leren de kinderen veel.

Wanneer de ouders de problematiek niet meer aankunnen, of de problematiek te ernstig is wordt het kind uithuis geplaatst. Het kind in deze situatie thuis laten en behandelen leidt alleen maar tot gevoelens van falen, machteloosheid en minderwaardigheid. Toch moet niet te snel overgegaan worden tot uithuisplaatsing, omdat het ook de wankele relaties binnen het gezin kan verstoren en herstel van de relaties binnen het gezin hierna moeilijk kan zijn.
Het kind wordt geplaatst in een instelling waar samen met het kind gewerkt wordt aan sociale, emotionele en cognitieve (denken, inschatten van situaties, etcetera) ontwikkeling.

De prognose voor de behandeling van een antisociale gedragsstoornis is niet altijd even goed. Van grote invloed is hoe lang de stoornis al aanwezig is. Snel ingrijpen kan voor een veel betere uitkomst van de behandeling zorgen. Ook de gezinssituatie is van grote invloed. Wanneer de gezinssituatie goed is, is de kans op verbetering groot. Verder van invloed op de prognose zijn: jonge leeftijd waarop de problemen ontstaan, veel symptomen, vaak voorkomen van de problemen, ernstigere symptomen en problemen die zich aan het zicht onttrekken (spijbelen, stelen etcetera). Al deze kenmerken leiden tot een slechtere uitkomst van de behandeling.

Behandeling van een antisociale gedragsstoornis leidt dus niet altijd tot het verdwijnen van de problemen. Toch is dit geen reden om dan maar niet te behandelen. Behandeling kan er voor zorgen dat de problemen afnemen en dat de ouders weer meer controle krijgen over het gedrag van het kind. Niet ingrijpen kan alleen maar leiden tot grotere problemen.


Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Vraag per e-mail of advies aan huis

cs-gy-3d-234x16



Vandereycken, W., Hoogduin, C.A.L.& Emmelkamp, P.M.G. (1990) Handboek Psychopathologie deel1, Bohn Stafleu Van Loghum, hoofdstuk 16 blz. 412 - 421.

Het herkennen, de diagnose en de behandeling van een anti-sociale gedragsstoornis
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden