Denkbeeldige vriendjes

Wanneer je kind plotseling een vriendje heeft dat jij niet kunt zien, is dat geen reden tot zorgen. Veel kinderen hebben een denkbeeldig vriendje.

Denkbeeldige vriendjes

Drs. T. de Vos-van der Hoeven - november 2002

Desiree heeft al enkele maanden een vriendinnetje. Ze heet Gwen en is net zo oud als Desiree. Desiree is erg dol op Gwen en deze twee zijn onafscheidelijk. Het klinkt als een geweldige vriendschap. Toch maken de ouders van Desiree zich een beetje zorgen. Ze hebben Gwen namelijk nog nooit gezien. Alleen Desiree kan Gwen zien.

Toch zijn de zorgen van de ouders van Gwen niet nodig. Heel veel jonge kinderen hebben een denkbeeldig vriendje of vriendinnetje. Deze vrienden kunnen kinderen zijn, maar ook rustig een poes, leeuw, hond of kabouter. De fantasie van het kind is de enige beperking hierin. Het hebben van een denkbeeldig vriendje is over het algemeen een gezonde en veilige manier om een beetje te experimenteren met sociaal gedrag en vriendschap. Soms zien we dat op het moment dat het kind toe is aan echt contact met andere kinderen (zo rond het vierde jaar) het denkbeeldige vriendje verdwijnt. Maar het hebben van een denkbeeldige vriend hoeft andere vriendschappen zeker niet in de weg te staan. Een denkbeeldige vriend is ook geen vervanging voor echte vriendschappen. Wanneer een kind van vijf / zes jaar enkel denkbeeldige vrienden heeft is dit wel een reden voor zorgen. Zolang het kind ook echte vrienden heeft is het gewoon een gezonde fantasie. Kinderen beseffen zelf ook heel goed dat het maar een fantasie is.

Het hebben van een denkbeeldige vriend en het experimenteren met de eigen fantasie, is ook goed voor de geestelijke ontwikkeling van het kind. Kinderen leren op deze manier juist onderscheid te maken tussen de werkelijkheid en fantasie. En het geeft het kind de mogelijkheid even weg te dromen en de wereld naar de eigen hand te zetten. Voor een kind dat moet leren omgaan met de regels van het dagelijks leven en van sociale contacten, kan het heerlijk zijn even de dienst uit te maken. En een denkbeeldige vriend doet altijd wat je wilt en dat is ook wel eens fijn. Het geeft een gevoel van macht en eigenwaarde.

Vaak zien we dan ook dat kinderen een beetje de baas spelen over het denkbeeldige vriendje of zelfs een beetje moederen over het vriendje. Vaak horen ouders opmerkingen die ze tegenover hun kind maken terug uit de mond van hun kind tegenover het denkbeeldige vriendje.
Desiree roept tijdens het eten plotseling: "Gwen, zit niet te spelen met je eten." Na enige tijd wordt Gwen door Desiree van tafel gestuurd. Wanneer haar ouders haar verbaasd aankijken antwoord Desiree: "Gwen moet wel netjes eten, anders gaat ze maar even op de gang."

Het hebben van een denkbeeldige vriend kan verschillende functies hebben. Het kan gewoon een leuk fantasie spel zijn van het kind en een veilige manier om een beetje te oefenen met sociaal contact. Soms ook heeft het vriendje een troostende functie. Het is altijd op te roepen voor het kind en kan steun bieden wanneer het kind verdrietig of bang is. Het geeft het kind een beetje het gevoel van samen staan we sterk.

In angstige of spannende periodes kunnen kinderen op zoek zijn naar wat houvast. Een denkbeeldig vriendje kan dan veel steun bieden. Het denkbeeldige vriendje kan overal mee naar toe en kan het kind steunen. Dit is een betere aanpak dan wanneer het kind zich vastklampt een de ouders. Het gaat in dit geval wel om angsten die eigenlijk niet nodig zijn. Wanneer het kind geconfronteerd wordt met werkelijk angstige zaken kan ook de denkbeeldige vriend geen uitkomst brengen.
Tom gaat voor het eerst naar school. Hij vindt het ontzettend spannend en durft eigenlijk niet goed. De eerste schooldag vertelt hij zijn moeder dat hij een extra appel mee wil voor Gaby. Geïnteresseerd vraagt zijn moeder wie Gaby dan is en of hij geen appel mee krijgt van zijn moeder. Tom legt uit dat Gaby zijn konijn is en dat hij mee naar school mag. Aangezien Tom hiervoor al een paard, een tijger en een vogeltje als vriend gehad heeft, kijkt moeder niet vreemd op van de aanwezigheid van Gaby.
Vaak verdwijnt de denkbeeldige vriend weer wanneer het kind niet meer bang is. Het kind heeft de steun van het vriendje dan niet meer nodig.

Ook kan een denkbeeldig vriendje gebruikt worden als zondebok. Wanneer het kind iets verkeerd doet of iets doet wat niet mag legt het kind zo een beetje de schuld buiten zichzelf: "Ik deed dat niet, maar mijn vriendje." Ook in deze situatie zien we vaak dat het kind de taal van de ouders overneemt om het vriendje te bestraffen. Het kind identificeert zich op deze manier ook met de ouders.
Sabine heeft een vaas omgegooid omdat ze met de bal in de gang aan het spelen was. Wanneer haar moeder op het lawaai af komt zegt Sabine:" Charlotte deed het. Ik zei nog zo dat het niet mocht. Charlotte, ga maar eens nadenken over wat je gedaan hebt."

Veel ouders hebben er moeite mee wanneer hun kind een denkbeeldig vriendje de schuld geeft omdat het kind op deze manier probeert de schuld af te schuiven. Maar het kind weet ook best dat het vriendje niet bestaat en dat de ouders dit weten. Jonge kinderen beseffen op een gegeven moment dat ze dingen doen die de ouders niet willen. Het kind heeft er nog moeite mee controle te houden over de eigen impulsen, maar wil ook heel erg graag lief gevonden worden door de ouders. De schuld op een denkbeeldig vriendje afschuiven is dan de naïeve oplossing. Het kind geeft hiermee ook aan wel te beseffen wat ongewenst gedrag is. Het is de eerste stap naar controle over de eigen impulsen. Wanneer het denkbeeldige vriendje verdwijnt is dit het signaal dat het kind de eigen fouten inziet en ook van zichzelf kan accepteren zonder angst de liefde van de ouders kwijt te raken.

Over het algemeen is het het beste het denkbeeldige vriendje te accepteren. Als ouder aangeven dat u het vriendje niet ziet is meestal zinloos, het kind weet ook wel dat het maar fantasie is. Wel kan het soms nodig zijn om als ouder paal en perk te stellen aan de privileges van het denkbeeldige vriendje. Soms mag de helft van de stoelen in de kamer niet gebruikt worden omdat hier allemaal vriendjes zitten.Het is dan prima om aan het kind uit te leggen dat dit niet kan. De beste manier om hier mee om te gaan is een beetje mee te gaan in de fantasie van het kind. Spreek bijvoorbeeld af dat de vriendjes op moeten staan wanneer er iemand wil zitten. En leg uit dat het denkbeeldige vriendje zich aan de zelfde regels moet houden als het kind zelf. Wanneer het kind het denkbeeldige vriendje gebruikt als zondebok is het wel goed het kind aan te spreken op de eigen verantwoordelijkheid.

De meeste denkbeeldige vriendjes verdwijnen vanzelf weer, soms geleidelijk, soms net zo plotseling als ze gekomen zijn. Zolang het kind ook normale vriendschappen kan aangaan is er geen reden voor zorgen. Het is dan enkel een spel of een manier om om te gaan met een moeilijke periode.

De volgende boeken over denkbeeldige vriendjes zijn geschikt voor kinderen van 4/ 5 jaar.

* Oskar krijgt ook altijd de schuld. T. Ross (Altamira) (over een denkbeeldig vriendje als zondebok)
* Ze lopen gewoon met me mee M. Mahy (Lemniscaat) (over denkbeeldige vriendjes van een jongetje wat eenzaam is)
* De Potloodprinses. B. Minne (Clavis)
* Het blauwe monster I. Ostheeren (de Vier Windsterken)
* Max en de Maximonsters. M. Sendak (Lemniscaat)
* Kleine beer en de echo. A. MacDonald (Lemniscaat)


Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Vraag per e-mail of advies aan huis


cs-gy-3d-234x16

Literatuur
Hetherington, E.M. & Parke R.P. (1986) Childpsychology, a contemporary viewpoint. Hoofdstuk 13 blz. 542-545, McGraw Hill International Editions.
Fraiberg, S.H., (1966) De magische wereld van het kind. Hoofdstuk 1 blz. 30-36. en hoofdstuk 4 blz 133-137, Van Holkema & Warendorf


Wanneer je kind plotseling een vriendje heeft dat jij niet kunt zien, is dat geen reden tot zorgen. Veel kinderen hebben een denkbeeldig vriendje.
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden