Executieve functies | Leren plannen en vooruit denken

Bij het plannen van gewone dagelijkse bezigheden komen enorm veel verschillende vaardigheden kijken, vaardigheden die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Leren plannen en vooruit denken

Drs. Tamar de Vos - van der Hoeven - oktober/november 2010

We staan er -gelukkig- niet altijd bij stil, maar het doorlopen van een gewone dag vraagt om enorm veel planning, keuzes maken, beoordelen van plannen en keuzes en op basis daarvan doelgericht handelen. Ook voor kinderen geldt dit al. Na school moet er eerst afgesproken worden met wie er gespeeld gaat worden. Dan moet er gekeken worden of het vriendje meteen mee kan fietsen. Wanneer dat niet kan, gaat het vriendje eerst even naar huis en bellen de kinderen met elkaar waar ze zullen gaan spelen. Ze spreken af in de speeltuin en zullen daar tot vijf uur spelen. Daarna moeten ze allebei naar huis want ze moeten hun tafels nog leren en 's avonds heeft een van de twee nog voetbaltraining. Zo'n middagje vrij spelen vraagt om een hoop plannen en nadenken. En dat is voor kinderen soms best nog heel lastig.

Bij dit plannen en beslissen wat we gaan doen en hoe we dit gaan doen komen een hoop verschillende vaardigheden kijken. Al deze vaardigheden bij elkaar worden de executieve functies genoemd. Een term die voor de meeste ouders onbekend is en dat ook gerust kan blijven. Maar als we naar deze vaardigheden gaan kijken blijken ze wel van groot belang voor de ontwikkeling van een kind. De executieve functies zijn die vaardigheden en denkprocessen die ons helpen ons gedrag te plannen en te sturen en doelmatig te werk te gaan, vooral in nieuwe onbekende situaties. Deze functies worden ook wel de besturingsfuncties genoemd. Bij het beslissen wat we gaan doen en hoe we dit gaan doen, doorlopen we meestal vier stappen. Eerst maken we een aantal keuzes zoals wat gaan we doen, hoe gaan we het aanpakken, wanneer, met wie etcetera. Wanneer we die gemaakt hebben, gaan we een plan maken, waarbij we gebruik maken van informatie uit ons geheugen en informatie uit onze omgeving. We kijken daarna of ons plan goed en effectief is en gaan daarna doelgericht handelen.
Zoals bij het bovenstaande voorbeeld, eerst wordt gekozen met welk vriendje er gespeeld gaat worden, er wordt gepland hoe er naar huis gefietst gaat worden en waar er gespeeld gaat worden, er wordt gekeken of dit kan in verband met voetbaltraining en huiswerk en daarna gaan beide kinderen naar huis en zien ze elkaar in de speeltuin.

Gelukkig zijn we ons er niet steeds van bewust welke stappen we allemaal doorlopen bij dit plannen en beslissen. Maar wanneer het plannen en vooruitdenken niet zo soepel verloopt kan het wel heel goed zijn om te beseffen wat de verschillende stappen zijn en welke vaardigheden hierbij nodig zijn, zodat we kunnen zien welke vaardigheid nog niet zo goed ontwikkeld is bij een kind. Zo kunnen we het kind gericht gaan helpen.
Overigens, deze vaardigheden beginnen zich te ontwikkelen in de vroege jeugd, maar zijn pas geheel uit ontwikkeld wanneer het kind in de twintig en volwassen is. Kinderen hebben hun hele jeugd begeleiding nodig bij het onder de knie krijgen van deze vaardigheden. Niemand zal van een peuter verwachten dat hij zijn eigen daginvulling al kan plannen of een kleuter kwalijk nemen wanneer hij, nadat zijn toren al twee keer is omgevallen, opgeeft.
Problemen met het aanleren van deze vaardigheden zien we bij kinderen met ADHD, kinderen met autisme en bij kinderen met frontale hersenbeschadiging.
Maar er zijn ook een hoop kinderen die moeite hebben met het aanleren van een of meer van deze vaardigheden, zonder dat er sprake is van een stoornis. We zien dan problemen zoals onhandig sociaal gedrag, moeite met keuzes maken, plannen en organiseren en het beoordelen van keuzes en plannen, geheugenproblemen en problemen met de concentratie. Moeite met vaardigheden rond planning kunnen leiden tot leerproblemen. Deze groep kinderen hebben veel baat bij gerichte begeleiding bij die vaardigheden.

Welke vaardigheden zijn nodig bij plannen en doelgericht werken ?

We kunnen deze vaardigheden in twee groepen indelen. Ten eerste zijn er de denkvaardigheden: nadenken over wat je wilt gaan doen, doelen kiezen en juiste oplossingen bedenken. De tweede groep bestaat uit de vaardigheden die kinderen helpen het gekozen gedrag uit te voeren, bij te sturen en aan te passen. Deze helpen hen dat wat ze bedacht hebben ook daadwerkelijk te gaan uitvoeren, zonder afleiding, doelgericht en rekening houdend met wat voor reactie ze krijgen uit hun omgeving tijdens het uitvoeren.

Denkvaardigheden

Het ligt voor de hand dat één van deze vaardigheden het vermogen tot plannen zelf is, bedenken wat je wil gaan doen om een bepaald doel te bereiken. Daarbij wordt ook gedacht over wat je dus beter niet kan doen en waar je geen aandacht aan moet besteden. Wanneer er een doel gekozen is en een plan gemaakt is, moet het kind gaan bedenken hoe het plan uitgevoerd gaat worden en in welke volgorde. Het kind moet bekijken hoeveel tijd het heeft en hoe deze tijd het beste ingedeeld kan worden. Het moet dus ook inschatten hoeveel tijd een taak of handeling in beslag gaat nemen. We noemen deze vaardigheid time-management.
Het geheugen speelt een belangrijke rol bij dit plannen. Ervaringen uit het verleden en kennis waar het kind over beschikt kunnen helpen een zo goed mogelijk plan te bedenken. Maar ook het werkgeheugen speelt een belangrijke rol. In het werkgeheugen wordt de informatie die nodig is bij het uitvoeren van het plan tijdelijk opgeslagen. Dit kan zowel informatie zijn die het kind heeft gekregen op het moment van plannen, zoals een opdracht of iets dat het kind waarneemt, als ook informatie uit eerdere ervaringen en kennis. Het werkgeheugen helpt vooruit te denken en terug te kijken
Tijdens het uitvoeren van het plan moet het kind steeds beoordelen hoe het gaat waarbij hij/zij zowel moet kijken naar de omgeving als naar het eigen functioneren: "hoe doe ik het en hoe werkt mijn plan. "

Wanneer een meisje van 13 bijvoorbeeld op school huiswerk krijgt, moet zij eerst bekijken hoe zij de verschillende opdrachten wil gaan aanpakken. Wanneer gaat ze het huiswerk maken, waar en wat heeft zij hierbij nodig. Dan moet zij bekijken hoeveel tijd zij nodig denkt te hebben en hoe de opdrachten het beste georganiseerd kunnen worden. Wil ze alles achter elkaar maken of eerst een half uurtje, dan naar tennistraining gaan en 's avonds nog een half uurtje. Natuurlijk moet er ook nog tijd vrij gehouden worden om haar vriendinnen te zien of te msn-en.
Bij het maken van haar huiswerk moet ze onthouden wat er gevraagd werd bij de opdracht en de juiste methode die zij in de les geleerd heeft naar boven halen om zo het schoolwerk goed te kunnen maken. Tijdens het werken moet het meisje steeds beoordelen of het goed gaat.

Vaardigheden om gedrag bij te sturen

Om goed een plan te kunnen uitvoeren moet het kind dus eerst eens rustig nadenken. Meteen beginnen werkt over het algemeen niet goed, Het kind moet eerste de situatie beoordelen en bedenken hoe het eigen gedrag hier effect op kan hebben. We noemen dit reactie-inhibitie, het vermogen de directe reactie even 'af te remmen' om na te kunnen denken. Om dit te kunnen is het ook belangrijk dat het kind controle heeft over de emoties. Emoties kunnen zorgen voor direct reageren zonder na te denken, maar kunnen ook bij het uitvoeren van een opdracht of plan in de weg staan. Het is dus bij het uitvoeren van een plan, belangrijk dat het kind zijn emotie onder controle heeft.
Om een taak goed te kunnen uitvoeren moet hij wel de aandacht er bij kunnen houden, zich niet laten afleiden of uit verveling of vermoeidheid aan andere dingen gaan zitten denken.
Ook moet het kind in staat zijn aan de slag te gaan op het moment dat dat moet. Het moet niet gaan lopen uitstellen. We noemen dit taakinitiatie.
Flexibiliteit is ook een belangrijke vaardigheid bij het plannen en uitvoeren van taken. Het kind moet in staat zijn het plan aan te passen wanneer dit nodig is. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer er iets fout gaat of het plan niet goed lijkt te werken. Of er is nieuwe informatie waardoor het plan moet worden bijgesteld. Als laatste moet het kind doorzettingsvermogen tonen. Het moet niet opgeven en doorgaan tot het gelukt is.

Als we het bovenstaande voorbeeld weer nemen van huiswerk maken zien we dat het meisje beter eerst even rustig kan nadenken over de te maken opdrachten. Wanneer ze meteen aan de slag gaat zonder na te denken kan het dat ze de verkeerde methode toepast of zelfs de verkeerde opdrachten gaat maken. Indien zij een hekel heeft aan rekenen zal ze over deze gevoelens heen moet stappen en toch aan de gang moeten gaan. Steeds weer bedenken hoe stom het huiswerk is zal er voor zorgen dat het werk niet opschiet. Dit geldt ook wanneer het meisje steeds afgeleid wordt, bijvoorbeeld door lawaai om zich heen, klasgenoten die kletsen of als het meisje door vermoeidheid meer naar buiten zit te kijken dan te werken.
Tijdens het huiswerk maken kan het meisje ontdekken dat haar pen leeg is, dat ze de sommen eigenlijk niet begrijpt of dat een jonger broertje TV gaat zitten kijken. Ze moet dan flexibel genoeg zijn om met potlood verder te werken of een nieuwe pen te zoeken, hulp te vragen van de ouders of de uitleg eerst nog een keer te lezen en een andere plek te zoeken om huiswerk te maken. Wanneer ze ondanks deze korte onderbrekingen toch kan doorwerken toont zij doorzettingsvermogen. Dit doorzettingsvermogen is nog groter wanneer ze er ook nog in slaagt de msn-berichten en sms-jes van haar vriendinnen te negeren.

Moeite met deze vaardigheden

Wanneer een kind moeite heeft met het plannen van zowel de taak als de tijd die hier voor nodig is, dan zien we dat het erg van de hak op de tak aan het werk is. Het kind gaat niet systematisch te werk. Het maakt bijvoorbeeld eerst wat sommen, gaat dan wat taalopdrachten doen en keert dan weer terug bij de sommen. Ook zien we bij deze kinderen dat ze er moeite mee hebben zich aan hun eigen planning te houden en vaak niet uitkomen met de tijd die ze nodig dachten te hebben.
Als een kind moeite heeft met het organiseren is dit vaak te zien aan een rommelig kastje, veel troep op de tafel en een chaos in het schrift. Deze kinderen zijn vaak hun spullen kwijt en vinden het heel erg moeilijk om dingen in de juiste volgorde te doen.

Kinderen van wie het werkgeheugen voor problemen zorgt hebben over het algemeen moeite met het onthouden van instructies en regels. Regels en uitleg moeten steeds worden herhaald. Deze kinderen vergeten ook vaak te kijken of hetgeen ze gedaan hebben goed gegaan is en vergeten vaak een deel van hetgeen ze van plan waren te gaan doen. Op school zien we dat deze kinderen vaak moeite hebben met dingen uit het hoofd leren, het 'stampwerk'.
Als kinderen moeite hebben hun eigen functioneren te beoordelen dan zien we dat ze vaak onvoldoende in de gaten hebben hoe anderen reageren op hun gedrag. Ze merken niet dat anderen zich storen aan hun gedrag en kunnen hierdoor als raar of egoïstisch ervaren worden. Deze kinderen leggen ook vaak de oorzaak van de problemen die ze ervaren te veel buiten zichzelf, ze vinden het moeilijk om hun eigen aandeel in een probleem te zien. Vaak vragen ze eerder om hulp dan het zelf te proberen.

We zien ook een groep kinderen die moeite heeft met het principe van 'eerst denken, dan doen'. Ze luisteren de instructies maar half af en gaan dan al aan het werk, geven op vragen al antwoord wanneer de vraag nog maar half gesteld is en willen al aan de slag wanneer ze amper nog een plan hebben. Zo beginnen ze met lego meteen te bouwen, om daarna vast te stellen dat het bouwwerk niet kan staan of dat er niet voldoende stenen zijn. Deze kinderen geven vaak ook vrij snel op wanneer ze merken dat het moeilijker wordt.
Het onder controle houden van emoties kan bij sommige kinderen ook zorgen voor moeite met het plannen en uitvoeren van taken, Het kind huilt snel of wordt erg snel boos wanneer iets niet direct lukt of een beetje tegen zit. Een aantal van deze kinderen toont eerder hun emoties dan dat ze praten over wat ze dwars zit.

Wanneer een kind moeite heeft de aandacht te houden bij wat hij/zij aan het doen is, spreekt het voor zich dat het snel afgeleid is. Maar bij deze kinderen zien we ook dat ze steeds opnieuw vragen wat ze moeten doen en hulp vragen bij het plannen. Ze hebben de neiging dingen af te raffelen en tonen vaak minder doorzettingsvermogen. Voor deze kinderen is vooral de overgang van de ene taak naar de andere moeilijk.
Deze zelfde groep kinderen heeft vaak ook moeite met het beginnen met een taak. Ze starten te laat, hebben steeds een ander nodig om hen te stimuleren te beginnen en laten bij het samenwerken of samen spelen het initiatief steeds bij de ander.
Dan is er ook nog een groep kinderen die wel aan de slag gaat maar daarna heel veel moeite heeft flexibel met opdrachten en taken om te gaan. Ze vinden het erg moeilijk te zien dat er meerdere manieren zijn om een probleem op te lossen en dat in de ene situatie de ene oplossing beter is terwijl in een andere situatie een andere oplossing beter resultaat kan opleveren.

Ontwikkeling van deze vaardigheden

Dat heel jonge kinderen nog slecht kunnen plannen en organiseren, nog weinig controle hebben over hun emoties, moeilijk hun aandacht bij een taak kunnen houden en nog niet kunnen plannen hoeveel tijd ze nodig hebben om iets te doen spreekt voor zich. Maar vanaf welke leeftijd kunnen we dit soort vaardigheden nou wel verwachten van een kind ?
Dat verschilt per vaardigheid. Sommige vaardigheden heeft een kind van zes al redelijk onder de knie, andere vaardigheden zijn zelfs voor een adolescent nog een hele uitdaging. In de puberteit vindt er een groeispurt in de hersenen plaats waarbij de hierboven besproken vaardigheden zich sterk ontwikkelen. In deze leeftijdsfase is het dan ook belangrijk dat de jongere veel de kans krijgt te oefenen met plannen en organiseren zodat deze vaardigheden geactiveerd worden en zich kunnen verbeteren.

Voor het ontwikkelen van al deze vaardigheden is het belangrijk dat het kind niet te impulsief handelt. De eerste vaardigheid die zich dan ook vroeg in de kindertijd al ontwikkelt is het vermogen eerst te denken en dan te doen. Zonder eerst te denken is het onmogelijk om te plannen, te organiseren, emoties onder controle te houden of plannen te beoordelen en bij te stellen. Het ontwikkelen van dit vermogen is de eerste stap naar zelfbeheersing en de eerste signalen hiervoor kunnen al waargenomen worden bij een kind van zes/ zeven maanden. Maat het is zeker niet zorgelijk wanneer een kind van zeven nog erg impulsief is.
Rond de acht maanden begint het werkgeheugen zich te ontwikkelen. Het kind moet dingen kunnen onthouden ( als ik tegen mijn rammelaar sla, dan maakt dat geluid en kijkt mama naar me) om te kunnen denken over wat het wil doen. Dit helpt het kind beslissingen te nemen en het gedrag te controleren. In eerste instantie is het werkgeheugen nog non-verbaal. Als het kind eenmaal leert praten wordt het werkgeheugen ook verbaal.

Het richten van de aandacht en daarbij dus onbelangrijke zaken buiten beschouwing laten is natuurlijk ook een belangrijke vaardigheid, omdat het zeer lastig is vooruit te denken, emoties onder controle te houden of alternatieven te overwegen wanneer de aandacht steeds door onbelangrijke zaken wordt opgeëist. Ook deze vaardigheid begint zich dus al jong, zo rond het eerste jaar te ontwikkelen. Al kunnen we pas rond de vier jaar gaan spreken over enige doelgerichtheid. Het werkgeheugen is meestal zo rond de leeftijd van zes jaar in de basis ontwikkeld maar blijft zich daarna nog verder ontwikkelen. De reactie-inhibitie (eerst denken dan doen) is rond zeven jaar grotendeels ontwikkeld, al blijft deze zich ook de hele jeugd nog verder ontwikkelen. In de loop van de jeugd ontwikkelen de verschillende vaardigheden die nodig zijn bij het plannen en organiseren van activiteiten zich steeds verder.

Helpen bij het ontwikkelen van deze vaardigheden

De ontwikkeling van de vaardigheden die nodig zijn bij het goed plannen van activiteiten neemt de volledige kindertijd in beslag en loopt nog door tot iemand jong volwassen is. Een kind leunt wat deze vaardigheden betreft dus nog zwaar op de vaardigheden van de ouders. De ouders moeten het kind helpen bij het plannen, helpen logisch na te denken, emoties bij sturen, het kind helpen zich te concentreren en vooral veel voordoen. Door te zorgen voor een opgeruimde omgeving, duidelijke instructies en regels en veel ondersteuning bij alles wat het kind doet, leert het langzaam aan deze vaardigheden zelf onder de knie krijgen. Ouders kunnen dan langzaam aan steeds meer stapjes terug doen en steeds meer aan hun kind zelf overlaten.

Wanneer ouders merken dat hun kind moeite heeft met bepaalde vaardigheden, kunnen ze het kind op twee manier gaan helpen. Enerzijds door de omgeving aan te passen, anderzijds door de eisen aan het kind aan te passen. Bij het aanpassen van de omgeving kan gedacht worden aan lijstjes of een weekkalender om het kind te helpen onthouden wat de regels zijn of wat er die week gaat gebeuren. Met kleuren kunnen verschillende taken van elkaar onderscheiden worden of kan het kind geholpen worden de dagen van de week te onthouden. Een rustiger plek in de klas kan een kind helpen de aandacht bij het werk te houden. Bij het schoolwerk kunnen schema's, duidelijke deadlines, herhaalde instructies en taken die in stukjes zijn verdeeld uitkomst brengen. Door een vaste structuur in de dag te brengen kan het kind ook houvast geboden worden.

Wanneer een kind moeite heeft met een vaardigheid is dat een signaal dat het deze vaardigheid nog niet onder de knie heeft en dus wat extra begeleiding nodig heeft op dit vlak. De eisen die aan het kind gesteld worden moeten dan wat bijgesteld worden. Wanneer een kind moeite blijkt te hebben met het organiseren van het huiswerk, dan kan het goed zijn dit een aantal weken samen te doen en het kind dus aan de hand te nemen. Door het organiseren van het huiswerk voor te doen, daarna het kind te begeleiden bij het zelf organiseren van het huiswerk en dan een stapje terug te doen, leert het kind alsnog deze vaardigheid onder de knie te krijgen. Op deze manier kunnen ouders hun kind bij alle vaardigheden waarmee het nog moeite heeft begeleiden en langzaam los laten.
Bij het stimuleren van de ontwikkeling van deze vaardigheden kunnen complimenten en beloningssystemen een goede rol spelen.
Met de juiste begeleiding en stimulatie kunnen de meeste kinderen heel goed leren plannen, vooruitdenken en organiseren. Het is alleen wel een proces dat een jaar of twintig in beslag neemt en waarbij veel begeleiding van de ouders nodig is.


Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Vraag per e-mail of advies aan huis


cs-gy-3d-234x16
Literatuur:
Dawson, P., Guare, R. ( 2010) Executieve functies bij kinderen en adolescenten, Hogrefe Uitgevers, Amsterdam
Dekker, W. (2010) Versterken van executieve functies in de klas, Congree Executieve funsties in de praktijk, Utrecht, 1 juni 2020, Hogrefe
Huizinga, M. (2007) De ontwikkeling van executieve functies tussen kindertijd en jongvolwassenheid. Neuropraxis 3, 74 -82
Smidts, D. (2004) De ontwikkeling van executieve functies bij kleuters, De psycholoog 39,nr 3., 123- 127
Swaab,H. (2010) Executieve funsties in de prakltijk, Congree Executieve funsties in de praktijk, Utrecht, 1 juni 2020, Hogrefe


Bij het plannen van gewone dagelijkse bezigheden komen enorm veel verschillende vaardigheden kijken, vaardigheden die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het kind.
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden