motorische ontwikkeling stapje voor stapje,

De eerste levensjaren maakt een kind een enorme motorische ontwikkeling door. Van een totaal afhankelijke baby ontwikkelt hij/zij zich tot een zelfstandige peuter.
Stapje voor stapje, de motorische ontwikkeling van baby tot peuter.

Drs. Tamar de Vos - van der Hoeven - maart 2013

De motorische ontwikkeling start al in de baarmoeder. Prachtig is op de steeds duidelijker wordende echo-beelden te zien hoe het kindje in de buik de handjes en beentjes beweegt, hoe het slikt, met de ogen knippert en reageert op geluid en licht. Door het bewegen in de baarmoeder wordt ook het evenwichtsorgaan van je kindje al geprikkeld.
In de baarmoeder leert een baby zijn/ haar zintuigen (sensoren) gebruiken. De prikkels die het hierdoor ontvangt (geluiden, licht, aanraking door de buikwand heen etc.) lokken een reactie uit. Zo leren in de baarmoeder de zintuigen die alle prikkels opvangen en het centraal zenuwstelsel, dat op de prikkels reageert met actie, al samen werken. Deze samenwerking van de zintuigen en het centraal zenuwstelsel is essentieel voor de ontwikkeling van de motoriek.
Het zenuwstelsel is bij de geboorte nog onvolgroeid. De verdere ontwikkeling ervan moet gestimuleerd worden door veelzijdig bewegen, veel verschillende zintuigelijke prikkels en zeker ook rust.

Een motorische handeling uitvoeren, vraagt om enorm veel stappen. Een voorbeeldje: Je kindje ziet een rammelaar en wil deze pakken. Eerst moet het de rammelaar zien, dan moet hij/zij ernaartoe bewegen, bijvoorbeeld door om te rollen, te schuiven of te kruipen. Vervolgens moet je baby inschatten of hij/ zij dichtbij genoeg is, het handje openen en de rammelaar beetpakken. Hierbij moet je kindje voldoende kracht zetten om het ding vast te kunnen blijven houden en op te tillen. Je baby kijkt en luistert vervolgens naar de rammelaar. Bij al deze acties is er voortdurend communicatie tussen de zintuigen en het zenuwstelsel.
grijpreflex
De motorische ontwikkeling in de eerste maanden

De eerste bewegingen die baby's maken zijn nog reflexen. Je kunt dan denken aan de zuigreflex die er voor zorgt dat je baby snel wil drinken, de reflex om het hoofdje opzij te draaien wanneer het kindje op de buik ligt om zo te kunnen blijven ademen, de knipper-reflex van de ogen om de ogen te beschermen en de grijpreflex waarmee je kindje alles vastpakt, zodra iets zijn of haar handje raakt.
Al snel worden deze reflexen opgevolgd door automatische bewegingen, een wat misleidende term omdat de bewegingen pas automatisch worden nadat ze geoefend en aangeleerd zijn. Een belangrijke automatische beweging is de opricht-reactie, waarbij het kindje er naar streeft het hoofdje recht boven de romp te houden en de romp ook recht te houden. Dit vraagt om goede nek- en rugspieren en is dus echt een beweging die geoefend en getraind moet worden.
De evenwichtsreactie is ook een automatische beweging. In het begin kan een baby nog niet overeind blijven. Door langzaam te leren spieren aan te spannen om vallen te voorkomen, leert je baby in evenwicht te blijven. Dit evenwicht breidt zich steeds verder uit waardoor je baby het vertrouwen krijgt te gaan zitten, kruipen, staan en lopen.
De steunreactie is ook een belangrijke automatische beweging. Wanneer je de voetzolen of handpalm van een baby aanraakt strekt hij/zij de benen of armpjes. Hierdoor ervaart het kindje dat het kan steunen op de benen en armen, hetgeen natuurlijk een eerste vereiste is om zich te durven opdrukken en te durven kruipen, staan en lopen.
Wanneer je kindje eenmaal gaat omrollen, zitten of staan, ingegeven door het vertrouwen in zichzelf verkregen door de steunreactie en de evenwichtsreactie, is ook de opvang-reactie van belang. Een jonge baby zakt onderuit of valt om, een wat oudere baby leert zijn/ haar armpjes te gebruiken om zich zelf op te vangen of de voetjes te verplaatsen om een val te voorkomen.
Vanaf ongeveer vier maanden beginnen baby's bewuste bewegingen te maken, ze bewegen met de intentie iets te bereiken.
het hoofdje kunnen oprichten
Het verloop van de ontwikkeling

Het geven van een overzicht van de ontwikkeling van een baby kan niet zonder te benoemen wanneer een gemiddeld kind een volgende stap in de ontwikkeling bereikt. Maar gemiddelde kinderen bestaan niet, het ene kind is wat vlotter, het andere kind ontwikkelt zich wat langzamer, zonder dat dit een probleem hoeft te zijn. De genoemde leeftijden in dit artikel zijn dan ook slecht gemiddelden, een indicatie wanneer je kind ongeveer hier aan toe is. Mocht jouw kindje op een bepaalde leeftijd nog niet toe zijn aan de ontwikkelingsstap die beschreven wordt, dan hoeft dat echt geen probleem te zijn. Het is hoogstens een signaal dat wat extra alertheid goed is en dat het misschien goed is je baby op dit vlak wat extra te stimuleren. Wanneer extra stimuleren geen effect heeft en je kindje steeds meer achterop raakt in de ontwikkeling is het natuurlijk wel goed een deskundige te laten kijken naar de motorische ontwikkeling van je kleintje. Vaak kan begeleiding door een fysiotherapeut dan uitkomst brengen.

De meeste baby's kunnen met een maand of vijf hun hoofdje goed stabiel houden. Om dit te stimuleren is het goed langzaamaan het hoofdje van je kindje steeds minder te ondersteunen, waarbij je er natuurlijk steeds alert op blijft wat je baby aankan. Door hem/ haar ook in verschillende houdingen vast te houden (recht op tegen je aan, liggend in je armen, met de buik op je arm, boven je hoofd tillen etcetera) leert je kind in verschillende houdingen het hoofdje goed rechtop houden en worden de nek- en rugspieren sterker.
Pas wanneer je baby zijn/ haar hoofdje goed stabiel kan houden, kan het zich verder gaan ontwikkelen.

In de baarmoeder ligt je baby natuurlijk helemaal gebogen. De buigspieren van je kindje worden hierdoor al in de baarmoeder gebruikt en versterkt, waardoor hij/zij na de geboorte al zijn/ haar armpjes en beentjes kan optrekken tegen de zwaartekracht in. Zich strekken is daarentegen nog lastig voor een jonge baby. Meestal zijn kinderen met zes of zeven maanden in staat zich goed uit te strekken. Ouders kunnen het strekken van hun kindje stimuleren door hun baby regelmatig op de buik te leggen. Het kindje zal zijn/haar hoofdje gaan optillen en langzaam aan ook de armen gaan optillen en naar voren uitstrekken. De beentjes worden dan ook gestrekt, waardoor het kindje als het ware op de buik balanceert. Zo worden de strekspieren versterkt. De samenwerking van de buig- en strekspieren speelt een belangrijke rol bij het bewegen en is van belang voor het evenwicht. Daarbij kan de wervelkolom alleen gedraaid worden wanneer deze gestrekt is.

Je kindje regelmatig op zijn/haar buik leggen is dus belangrijk voor de ontwikkeling, zowel voor het leren optillen en stabiel houden van het hoofdje als voor het stimuleren van de strekspieren. Maar niet ieder kind houdt ervan op de buik te liggen. Vaak is dit het gevolg van het feit dat het kindje er nog niet in slaagt het hoofdje op te tillen en zich te strekken, waardoor het weinig kan zien en doen in de buikligging. Waneer het dan maar niet op de buik gelegd wordt, kan het deze vaardigheden minder goed leren en zo kan je in een vicieuze cirkel belanden met je kindje. Het is dus aan te raden het buikliggen wel te blijven proberen. Door samen met je kindje te gaan liggen en met hem/haar te spelen in buikligging kan het leuker gemaakt worden. Zo hoef je het niet te forceren, maar kan je even goed met je kleintje blijven oefenen.

Als een baby zich goed kan strekken, kan hij ook gaan omrollen. Het omrollen lukt dus vaak ook zo rond de zeven maanden. Als je kijkt hoe een baby zich omrolt dan zien we dat meestal eerst het hoofdje opzij gedraaid wordt en dan de romp en dat de armpjes en beentjes dan volgen. Hierbij kan de schouder nog wel een obstakel vormen. Het kindje moet leren de schouder wat naar voren te brengen om over de schouder heen te kunnen rollen. Maar de meeste kindjes hebben dit snel in de gaten. Alleen baby's die wat overstrekken hebben hier nog wel eens moeite mee.
Het omrollen kan gestimuleerd worden door speelgoed net buiten het bereik van het kindje te leggen of zelf net buiten bereik van je baby te gaan zitten en te roepen. Vaak zal je de eerste keren je kleintje nog op weg moeten helpen, bijvoorbeeld wanneer het strandt op het schoudertje. Maar na een paar keer helpen is het wel verstandig je kindje steeds meer te stimuleren het zelf te gaan doen. Dit kan even frustrerend zijn voor hem/haar, maar juist deze frustratie is vaak de stimulans om door te zetten.
Wanneer je kindje eenmaal kan omrollen, gaat er een wereld voor hem/ haar open. Plotseling kan het zich verplaatsen. We zien vaak dat kinderen al omrollend de hele kamer gaan verkennen. Dit is niet alleen heel goed voor het zelfvertrouwen, maar ook zeker voor de ontwikkeling.

Liggend op de buik gaan baby's op een gegeven moment ook hun beentjes onder zich trekken. De steunreactie kan er dan voor zorgen dat het kindje de armen en bovenbeentjes gaat strekken en zo op knieën en handjes komt te zitten. Je kindje ontdekt zo het kruipen, wat natuurlijk een veel handiger manier is om zich te verplaatsen. Het kruipen vraagt om goede strekspieren en een goed evenwicht. Met acht á negen maanden kunnen kinderen het kruipen onder de knie krijgen.
Maar niet alle baby's kruipen. Sommige schuiven op hun billen, andere bedenken een alternatieve vorm van kruipen en soms slaan ze de fase van het kruipen een beetje over.
Kruipen (of alternatieve vormen van voortbewegen) stimuleren kan op dezelfde manier als omrollen gestimuleerd wordt: maak het voor je kind aantrekkelijk om zich te gaan verplaatsen. En heb geduld. Kruipen is best lastig, de meeste kindjes hebben tijd nodig om het onder de knie te krijgen.
dreumes meisje met een beer


De meeste kinderen gaan ergens tussen de acht en tien maanden zitten. Vaak gaan ze vanuit de houding die ze aannemen bij het kruipen, zitten. Vanuit deze (op handen en knieën) gaat het kindje naast de eigen onderbenen zitten en beweegt hierna de beentjes naar voren. Dit vraagt om een goed evenwichtsgevoel. En door het zitten wordt het evenwicht nog beter. Je baby heeft nu zijn/ haar handjes vrij om te gaan spelen en te ontdekken.
Wanneer een kindje nog niet zelfstandig kan blijven zitten, is het onverstandig het steeds overeind te zetten. In de eerste plaats omdat de nek- en rugspieren dan nog niet sterk genoeg zijn om het kindje goed overeind te houden. In de kinderstoel of ondersteund door kussen blijft je baby wel overeind, maar niet op eigen kracht.
Daarbij zien we ook dat kinderen die steeds zittend met ondersteuning neergezet worden, minder de stimulans ervaren om gaan kruipen of zelf vanuit liggen tot zitten te komen. Zittend kan het kindje de wereld om zich heen goed zien en heeft het de handjes vrij. Hierdoor is de behoefte om te gaan kruipen kleiner.
Wanneer je kleintje eenmaal sterk genoeg is om zelfstandig, zonder ondersteuning te blijven zitten en zelf gaat proberen te zitten, is het natuurlijk wel goed hem/haar een beetje op weg te helpen. Zo merkt je baby wat de handigste manier is om te gaan zitten en ervaart het dat het (met een beetje hulp) kan gaan zitten, waardoor het blijft proberen en uiteindelijk het gaan zitten onder de knie krijgt.

Rond deze tijd gaan kinderen vaak ook pogingen doen om te gaan staan, iets wat veel kinderen lukt ergens tussen de tien en twaalf maanden. Eerst trekken ze zich op zodat ze rechtop op hun knieën komen te zitten. Dan wordt een voetje naar voren geplaatst en trekt het kindje zich op. De meeste baby's staan dan nog met gebogen beentjes en hebben hun houvast nog hard nodig. Het weer gaan zitten kan ook nog een flinke uitdaging zijn. Maar na een tijdje oefenen lukt het gaan staan en weer zitten steeds gemakkelijker. Het evenwicht neemt toe en langzaam aan zal het kindje zich gaan voortbewegen, zich vasthoudend aan alles wat het tegenkomt. Om je baby te stimuleren te gaan staan kan je hem/haar overeind helpen wanneer hij/zij eenmaal kan zitten. Wat speelgoed op tafel leggen, kan je kindje ook stimuleren zich op te trekken aan de tafel. Een goede ondergrond (niet te glad) en een paar anti-slip sokjes kunnen ook bijdragen aan het goed gaan staan.

Sommige kinderen gaan al snel nadat ze zijn gaan staan lopen, eerst met houvast en al snel los. Bij andere kinderen duurt het een paar maanden voordat ze letterlijk en figuurlijk de stap durven te wagen. Gemiddeld kunnen kinderen rond de vijftien maanden lopen. Door je kindje aan de hand te nemen of een duwkar te geven help je hem/haar bij het gaan lopen. In het begin zien we dat kinderen hun voetjes nog vrij ver uit elkaar zetten. Wanneer hij/zij zekerder wordt zien we dat de voetjes dichter bij elkaar geplaatst worden.
Om het lopen te stimuleren is het belangrijk dat het kindje zoveel mogelijk op blote voetjes/ sokjes loopt. De eerste maanden is het onverstandig hem/haar al veel op schoentjes te laten lopen. Wanneer een kindje leert lopen, gebruikt het in eerste instantie de hele voetzool. Naarmate het kindje meer ervaring opdoet met lopen gaat het leren de voet af te wikkelen (eerst de hiel neerzetten, dan op de bal van de voet gaan staan en vervolgens afzetten met de tenen). Dit leert hij/zij het beste zonder schoenen. Een kindje dat kan lopen gaat de wereld om zich heen nog meer ontdekken en ontwikkelt een steeds beter ruimtelijk inzicht.

Al snel ontdekt je dreumes dan de trap en gaat proberen deze te beklimmen. Met anderhalf/ twee jaar kan je dreumes de trap beklimmen, rennen, tegen een grote bal schoppen en met een lepel eten. In het jaar daarna leert hij/zij springen, kort op één been staan, op een klimrek klimmen, op een driewieler rijden, een grote bal vangen, een bal gooien en met een vork eten. Vanaf drie jaar bestaat de ontwikkeling vooral uit het verbeteren van deze vaardigheden. Je kindje wordt steeds handiger in het klimmen, rennen, gooien, vangen etcetera.
vast houden en los laten
Fijne motoriek

Onder de fijne motoriek verstaan we de bewegingen die we met onze handen en vingers maken. In het eerste jaar heeft een baby zijn/ haar handjes nog veel nodig voor de ontwikkeling van de grove motoriek. Bij het leren omdraaien, kruipen, zitten en staan zijn de handjes onmisbaar. Wanneer je kindje een nieuwe vaardigheid geleerd heeft en de handjes weer even vrij heeft, kan de fijne motoriek verder ontwikkeld worden.
De eerste weken houdt je baby alles wat zijn of haar handje raakt vast door de grijpreflex. Rond zestien weken lukt het baby's om dat wat ze vast hebben ook weer bewust los te laten. Je kindje zal vanaf dat moment steeds bewuster dingen gaan pakken, iets wat met vierentwintig weken meestal lukt. We zien dat kinderen dan nog de hele hand gebruiken bij het vastpakken. Binnen een week of vier leert hij/ zij de duim ook te gebruiken bij het pakken van dingen en lukt het vaak al dingen over te pakken van het ene handje naar het andere handje. De fijne motoriek ontwikkelt zich verder waardoor je baby met een week of veertig dingen kan pakken met de pincet-greep (tussen de toppen van wijsvinger en duim).
Wanneer een kindje eenmaal dingen goed beet kan pakken, kan het steeds meer gaan doen met de objecten die het beetpakt. Rond anderhalf jaar kunnen kinderen een kleine toren van blokken bouwen. Met twee-en-een-half jaar heeft de fijne motoriek zich al zover ontwikkeld dat je peuter zelf zijn/ haar rits los kan maken (vast maken is nog te moeilijk). Kinderen van deze leeftijd beginnen ook steeds meer te tekenen. Ze beginnen met krassen, maar langzaam leren ze lijnen te maken, gevolgd door rondjes. Vanaf drie jaar beginnen kinderen hun eerste herkenbare figuurtjes te tekenen. Meestal tekenen ze dan hoofden of koppoters, omdat deze uit veel rondjes bestaan. Vanaf deze leeftijd kunnen kinderen ook leren knippen, kralen rijgen, knopen los maken en zich gedeeltelijk aan- en uitkleden.
Om de ontwikkeling van de fijne motoriek te stimuleren is het belangrijk om je kindje dingen zelf te laten proberen en materiaal aan te bieden dat de ontwikkeling stimuleert zoals dikke potloden, een kinderschaar, papier om te mogen scheuren, vingerverf, rijgkralen etcetera.




Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Vraag per e-mail of advies aan huis

Informatie voor dit artikel komt van:
http://www.kijkopontwikkeling.nl
Poot - van der Windt, H., De ontwikkeling van het jonge kind. De motorische ontwikkeling. Leren door bewegen. Uitgave K&P kinderopvang


cs-gy-3d-234x16



De eerste levensjaren maakt een kind een enorme motorische ontwikkeling door. Van een totaal afhankelijke baby ontwikkelt hij/zij zich tot een zelfstandige peuter.
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden