Leren omgaan met geldDrs. Tamar de Vos - van der Hoeven
De meeste kinderen krijgen vanaf dat ze zes jaar zijn zakgeld. Dit is voor het kind leuk, omdat het nu ook zelf iets kan kopen en de mogelijkheid heeft iets aan te schaffen wat de ouders onnodig vinden. Maar voor het kind is zakgeld ook heel leerzaam, het kind leert omgaan met geld en alles wat daar bij komt kijken. In de eerste periode speelt dit nog niet zo erg. Het kind geeft het geld vooral uit aan snoep of klein speelgoed en als het op is is het op. Maar bij het ouder worden wordt het bedrag over het algemeen langzaam verhoogd en gaat het kind steeds meer zelf kopen van dit geld. En een groep kinderen besluit ook te gaan sparen of krijgt opdracht van de ouders een bedrag opzij te zetten om te sparen.
Het geven van zakgeld wordt meestal gestart wanneer het kind zes jaar is met een klein bedragje. Langzaam aan wordt dit bedrag dan opgevoerd. Een twaalfjarige krijgt tussen de twee en vijf euro per week.Veel ouders ervaren dat hun kind wanneer het aan het begin van de puberteit staat steeds meer zelf de verantwoordelijkheid wil nemen over uitgaven en aankopen. Het kan dan goed zijn om kleedgeld te gaan geven en dit bedrag per maand in plaats van per week te gaan geven. Het kind leert zo ook grote uitgaven zelf te regelen en grotere bedragen geld zelf te beheren. Maar dit vraagt van het kind ook enig vermogen tot het plannen van de uitgaven. Anders is de eerste week al het geld al op en moet de jongere het de rest van de maand zonder geld uitzingen. Wat overigens in dat geval wel aan te raden is, want als je als ouder op zo'n moment bijspringt leert het kind nog niet omgaan met zijn geld en vooral ook uitkomen met het bedrag dat hij of zij krijgt.
Wanneer er wordt gestart met het geven van zakgeld kan het dan ook een goed idee zijn om in eerste instantie het kind nog te begeleiden bij de uitgaven en de planning hiervan. Bespreek bijvoorbeeld een keer per week met het kind waar het geld aan uit gegeven heeft. De jongere kan gevraagd worden de bonnetjes bewaren. Dit kan op een puber wat wantrouwend over komen , maar na een paar weken zal de jongere merken dat het enkel een goede manier is om zicht te houden op de uitgaven (waar had ik die tien euro nou aan uitgegeven? ).
Ook is het belangrijk dat voor het kind geheel duidelijk is wat het moet kopen van het kleedgeld. Allereerst moet er besproken worden of het geld echt alleen voor kleding is of ook om telefoon kosten, roken, uitgaan, benzine etcetera te betalen. En wanneer het geld alleen voor kleding is, moet de jongeren dan ook zelf zijn ondergoed en sokken betalen (wat goed is om te bespreken want veel jongeren denken hier niet aan) en hoe zit het met grote uitgaven zoals schoenen of een winterjas? Wanneer ook deze duurdere dingen gekocht moeten worden van het geld is het belangrijk om met het kind te bespreken dat het geld opzij zal moeten leggen voor deze grotere uitgaven. En wanneer de ouders verwachten dat er een gedeelte van het kleed- en zakgeld op zij gezet wordt, is het belangrijk dit duidelijk aan te geven. Sommige jongeren zijn van zichzelf zuinig en gaan sparen. Maar veel jongeren zullen hun geld toch uitgeven en niets op zij zetten zonder stimulans van hun ouders hiertoe.
In het begin is het goed om een vinger aan de pols te houden zodat de ouder inzicht heeft in de uitgaven van het kind en eventueel tijdelijk kan ingrijpen wanneer het kind een verkeerde financiële planning heeft of onnodige uitgaven blijkt te doen.
Wanneer het kind na enige tijd bewezen heeft met zijn of haar geld te kunnen omgaan kunnen de ouders het steeds meer zelf gaan overlaten aan de jongere,Jongere leren veel van het beheren van hun eigen geld. Ze leren hun uitgaven te plannen, (als ik die mooie broek wil kopen dan heb ik daarna geen geld meer voor die schoenen) en soms uitgaven uit te stellen om eerste te sparen. Ze leren hun uitgaven op hun inkomsten af te stemmen. Ze leren hun wensen aan te passen aan hun financiële mogelijkheden (toch maar dat goedkopere truitje kopen, omdat anders het geld al op is) keuzes te maken en dus soms iets goedkopers uit te zoeken. En ze leren sparen voor een grotere uitgaven. Deze zaken zijn heel belangrijk om de jongere wanneer deze eenmaal uithuis gaat geconfronteerd wordt met vele financiële zaken die geregeld en vooral betaalt dienen te worden. Wanneer een jongere niet geleerd heeft met zijn of haar geld om te gaan kan dit voor grote problemen zorgen.
Hoeveel kleedgeld er wordt gegeven is van een aantal factoren afhankelijk. Allereerst de financiële situatie van het gezin. De ene ouder kan nu eenmaal meer geven dan de andere ouder. Ten tweede is het opvoedkundig idee van de ouder ook belangrijk. De ene ouder vindt het belangrijk dat het kind leert omgaan met een beperkt bedrag en dat het leert dat het voor andere uitgaven een baantje kan zoeken, terwijl de andere ouder het belangrijk vindt dat het kind over de financiële middelen beschikt om een onbezorgd puberleven te kunnen leiden of zich goed te kunnen kleden. Ook wat het kind precies moet kopen van het kleedgeld bepaalt het bedrag. Wanneer er alle kleding van gekocht moet worden zal het bedrag hoger zijn dan wanneer het kind alleen kleding hoeft te kopen en zaken als ondergoed, schoenen en jassen voor rekening van de ouders blijft.
Een goede richtlijn kan het bedrag zijn dat u als ouder tot nu toe uitgaf aan kleding voor je kind. Het Nibud geeft aan de gemiddeld kinderen tussen de twaalf en zeventien jaar oud 45 euro per maand krijgen.Wanneer het kind kleedgeld krijgt gaat het zelf bepalen wat het koopt en als ouder is hier enige flexibiliteit voor nodig. Het zal regelmatig gebeuren dat een jongere thuis komt met kleding of iets anders wat de ouders maar niets vinden. Toch zullen de ouders dit moeten accepteren, het kind heeft nu eenmaal recht op een eigen smaak.
Maar er kunnen natuurlijk wel afspraken gemaakt worden over wat het kind in ieder geval wel en zeker niet mag kopen. Zo kunnen de ouders aangeven dat het kind in ieder geval nette kleding moet hebben voor een feestje en dat het kind goede schoenen moet hebben. Daarnaast kan de afspraak gemaakt worden dat bijvoorbeeld een naveltruitje niet is toestaan als kleding voor naar school en dat een piercing niet onder kleding valt en dus niet zonder overleg gekocht mag worden van het kleedgeld.Voor veel jongere is dit bedrag niet genoeg. Pubers geven gemiddeld ruim 110 euro uit per maand. De helft van alle pubers heeft dan ook een bijbaantje. De meeste bijbaantjes bestaan uit een krantenwijk, babysitten, vakkenvullen of horeca-werkzaamheden (vaak beginnend al afwashulp, doorgroeiend naar de bediening).
Flink wat jongeren doen ook klusjes in en om het huis om zo wat bij te verdienen. Hierbij is het wel heel belangrijk dat er duidelijke afspraken zijn over wat dingen zijn die gewoon horen te gebeuren, zonder dat hier voor betaalt wordt en wat bezigheden zijn waarvoor wel betaalt wordt. Zo zal de tafel dekken of afruimen, helpen bij het eten koken, opruimen etcetera over het algemeen gewoon horen bij de dingen die de kinderen horen te doen. Zaken als grasmaaien, auto wassen, schuur opruimen, het huis stofzuigen, ramen lappen etcetera zijn vaak klusjes die wel betaalt worden. Ook is het goed van te voren duidelijk af te spreken wat er gedaan moet worden voordat er betaald wordt zodat hier achteraf niet over gediscussieerd hoeft te worden(ja maar, ik wist niet dat ook die kast in de schuur helemaal moest opruimen, dat is hartstikke veel werk)Het hebben van een bijbaantje of het doen van klusjes in huis levert het kind geld op. Maar de jongere leert er ook veel van. De jongere leert hoe het er toe gaat in een baan, het leert verantwoordelijkheid nemen, op tijd te komen, en zaken te regelen zodat het werk of het klusje goed verloopt. Maar het baantje moet ook niet een te grote rol gaan spelen in het leven van de jongere. School en huiswerk mogen natuurlijk niet in de knel komen door het bijbaantje.
Want hoe belanrijk het ook is voor een jongere om eigen geld te hebben en te leren omgaan met geld, dit moet wel buiten schooltijd geleerd worden.
Wilt u de rest van onze website zien? Klik HIER
Literatuurlijst :
Akkerman,A. Blokland, G., Hagens, H. en Kleverlaan,N. (1999) Wat nou.... Pubers, Hoofstuk 8. NIZW uitgeverij
Sandijk, J. (okt 2004) Eigen budget en de verantwoordelijkheid. J/M pubers oktober 2004
www.nibud.nl