Wanneer is het morgen? | Tijdsbesef

Jonge kinderen hebben nog niet zo'n goed tijdsbesef. Door te praten over tijd en kinderen te leren hoe ze kunnen weten welke dag of welk tijdstip het is, kunnen ze meer grip krijgen op het concept tijd.
Wanneer is het morgen?

Jonge kinderen en tijdsbesef

Drs. Tamar de Vos - van der Hoeven - maart 2015
Tijd is een lastig begrip voor jonge kinderen. Onder de drie jaar hebben ze eigenlijk nog geen tijdsbesef. Deze kleintjes houden (een beetje) grip op het verloop van de dag, door de structuur en regelmaat die hen geboden wordt. Een dreumes weet op een gegeven moment 'na het fruit eten, gaan we naar buiten', 'Als we buiten zijn geweest, ga ik slapen', 'Als mama me ophaalt van het kinderdagverblijf, gaan we eten'. Zo houden jonge kinderen toch een beetje overzicht op hoe de dag verloopt. Structuur in de dag helpt hen dus enorm. Deze structuur kun je als ouder op ieder moment van de dag aanbieden en zo je kind helpen het verloop van tijd beetje voor beetje te gaan begrijpen. Een dreumes kan er weinig mee wanneer je zegt "straks ga je naar bed". De boodschap: "We gaan even opruimen, dan lees ik een verhaaltje voor en dan ga je naar bed" is veel duidelijker voor je kind.
kinderen en tijd
Ook voor wat oudere peuters zijn begrippen als straks, morgen, vanmiddag nog te abstract. Op deze leeftijd hebben kinderen ook nog behoefte aan concrete ondersteuning en uitleg van deze begrippen: "Straks, als je je brood op hebt, gaan we..." en "Morgen, nadat het donker is geweest en we allemaal geslapen hebben, komt oma." Zo beginnen peuters langzaamaan te leren dat 'morgen' veel verder weg is dan 'straks'. Door deze begrippen wel te gebruiken en ze te ondersteunen met goede uitleg, leert je kind deze tijdsaanduidingen begrijpen en tijdsbesef ontwikkelen.

Voor een kind van vier bestaat tijd vooral uit beleven. Het is tijd voor school, tijd om te eten, tijd om naar bed te gaan. Op de kleuterleeftijd worden begrippen als vandaag, morgen, gisteren steeds duidelijker, al is het tijdsbesef nog steeds heel erg gekoppeld aan de activiteiten die het kind onderneemt. Niet naar school hoeven betekent dat het weekend is, naar voetbal moeten, betekent dat het maandag is en als papa je van school komt halen is het dus woensdag.
leren klok kijken
Al is de kans ook groot dat voetbal betekent dat het de rode dag is en papa-dag de blauwe dag is, want veel kleuters kennen de namen van de dagen nog niet zo goed en veel scholen geven de dagen van de week een kleurtje. In groep één wordt gestart met het aanleren hoe tijd is ingedeeld. De dagen van de week worden aangeleerd met kleurtjes en de kinderen leren dat de dag in tweeën gedeeld kan worden. In de ochtend ga je naar school en als het middag is ga je naar huis. Ook de seizoenen komen uitgebreid aan bod in verhalen, gesprekjes en werkjes op school (een herfst-tafel, sneeuwpoppen knutselen, bloemen tekenen etc.).

Het begrip tijd wordt dagelijks besproken in de dagopening of het kringgesprek. Zo wordt er gekeken welke dag het is, of de kinderen een of twee keer naar school gaan (als er geen continurooster is), of het het begin of het einde van de week is, wat voor weer het is en of dat klopt bij het seizoen etcetera.
In de meeste kleuterklassen hangt ook een indeling van de dag met behulp van pictogrammen, dagritmekaarten en planningsborden. Zo houden kinderen zicht op wat er gaat komen die dag en leren ze ongemerkt een hoop over het verloop van tijd.
Ook thuis kunnen kinderen veel houvast hebben aan dit soort hulpmiddelen.

Ook aan het historisch tijdsbesef wordt in de kleuterklas vaak al aandacht besteed. Het gaat dan uiteraard niet om geschiedenislessen, maar om de begrippen 'later' en 'vroeger'. Voor kleuters worden deze begrippen nu een klein beetje duidelijk, al blijft dit wel een lastig iets. Dit kan er voor zorgen dat je kleuter bloedserieus aan zijn of haar oma kan vragen of ze al in een huis woonde toen ze klein was of nog in een grot en of ze wel eens een mammoet heeft gezien.
In de klas wordt vaak gewerkt met de begrippen 'vroeger' en 'later' door te praten over de baby-tijd van de kinderen en over wat ze later willen worden. Zo wordt het voor kinderen concreter dat ze een verleden hebben en een toekomst.
Agenda
Wanneer kinderen de overstap naar groep drie maken hebben ze vaak al een goed idee van de dagen van de week en de dagdelen. Ook de maanden van het jaar zijn meestal redelijk bekend. Kinderen beginnen nu ook steeds meer interesse te krijgen in tijd en het eerste klokkijken wordt aangeleerd in groep drie. Het gaat dan vooral om de hele en halve uren. Kinderen leren op school klokkijken op een wijzerklok. Maar veel kinderen zijn ook al snel bekend met de digitale klok, omdat ze deze zien op vele apparaten om zich heen ( de computer, mama's mobiel, de oven, de klok in de auto etc.) Digitaal klokkijken kan best heel lastig zijn voor kinderen, zeker wanneer de klok niet tot twaalf maar tot vierentwintig telt. Evengoed is ook het leren klokkijken op een wijzerklok best een uitdaging. Kinderen moeten leren een uur in te delen in zestig minuten, ze moeten de begrippen 'half' en 'kwart' leren kennen, de begrippen 'voor' en 'na' kunnen toepassen en de stand van de wijzers goed interpreteren, iets dat best nog lastig is. Want wanneer de grote wijzer op de zes staat en de kleine wijzer tussen de twee en de drie, is het dan half twee of half drie? Menig kind dat net leert klokkijken struikelt hier nog over.
Over het algemeen kunnen kinderen zo rond de acht/ negen jaar goed klokkijken.
leren digitaal klok kijken
Als ouder kun je je kind dus helpen bij het ontwikkelen van een goed tijdsbesef. Door van jongs af aan structuur aan te bieden en de verschillende tijdsbegrippen te benoemen, met daarbij een duidelijke uitleg en praktische ondersteuning, leren kinderen steeds meer grip krijgen op het concept tijd. Het benoemen van de seizoenen, de dagen van de week, of het ochtend of middag is, uitleg wanneer 'straks' en wanneer 'morgen' is etcetera, helpt je kind grip te krijgen op al deze lastige, want erg abstracte begrippen. Verbanden leggen tussen tijdsbegrippen en activiteiten kunnen hierbij erg helpen: "We gaan naar bed, het wordt donker, dus het is avond", "Je hoeft niet naar school, dus het is weekend", "Het is koud buiten, want het is winter."

Kijken naar baby- en peuterfoto's van je kind en van jezelf als ouder, ervaren hoe het babykonijntje of de kitten van de buren steeds groter wordt of het laten uitgroeien van zaadjes tot plantjes, kunnen ook hele leuke manieren zijn om kinderen in aanraking te laten komen met het verloop van tijd.
Weekplanners, aftelkalenders (nog zes dagen tot de Sint komt) en dagritme kaarten kunnen jonge kinderen veel ondersteuning geven.
En voor je het weet houdt je kind zijn horloge onder je neus met de mededeling dat het nu echt tijd is om naar school te gaan "anders kom ik te laat".


Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Stel uw vraag of advies aan huis




cs-gy-3d-234x16




Jonge kinderen hebben nog niet zo'n goed tijdsbesef. Door te praten over tijd en kinderen te leren hoe ze kunnen weten welke dag of welk tijdstip het is, kunnen ze meer grip krijgen op het concept tijd.
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden