Een beetje verlegen

Flink wat jonge kinderen zijn verlegen. En dat hoeft geen probleem te zijn, wanneer het het kind niet te veel belemert en de verlegenheid na enige tijd van wennen afneemt. Soms is het kind dusdanig verlegen dat wat extra begeleiding wel goed is.

Een beetje verlegen

Drs. T. de Vos van der Hoeven - december 2002

Verlegenheid kan beschreven worden als moeite hebben met spontaan contact leggen met andere mensen, en vooral met het initiatief tonen in het contact. Veel kinderen zijn op een gegeven moment in hun leven verlegen. Verlegenheid is ook heel natuurlijk gedrag en hoeft in het geheel geen probleem te zijn, zolang het het kind niet te veel belemmert in zijn/haar doen en laten.

Baby's beginnen rond de leeftijd van 8/9 maanden vaak angst voor vreemden te ontwikkelen. Maar niet alle kinderen ontwikkelen deze angst en de sterkte van de angst is ook afhankelijk van een aantal factoren, zoals de omgeving waarin het kind de vreemde ontmoet, de mate waarin het kind controle heeft over de situatie en ook van de houding van deze vreemde (u kunt hier uitgebreider over lezen in het artikel "ik ben daar bang voor" in het archief op deze site). Deze angst voor vreemden neemt weer af naar mate het kind ouder wordt.

Peuters en kleuters

Veel peuters zijn zeer verlegen ten opzichte van onbekende volwassenen. Maar we zien ook vaak verlegenheid bij kinderen die een bekende volwassenen tegenkomen in een onverwachte situatie.
Tiffany (3 jaar) heeft een juf op de crèche die ze erg aardig vindt. Op de crèche gaat ze heel vrij met de juf om. Wanneer haar moeder tijdens het winkelen met Tiffany de juf tegen komt, wijst zij Tiffany de juf aan en zegt ze de juf gedag. Tot haar verbazing is Tiffany plotseling heel erg verlegen en wil ze de juf geen gedag zeggen. De juf hoort voor Tiffany's gevoel op school en niet in de winkel.

Verlegenheid ten opzichte van onbekende volwassenen zien we heel veel op de peuter/ kleuterleeftijd. Verlegenheid ten opzichte van leeftijdsgenootjes zien we minder en deze verlegenheid houdt over het algemeen ook veel minder lang aan.

Ouders kunnen zich soms erg verbazen over het verlegen gedrag van hun kind. Kinderen die thuis heel erg vrij zijn kunnen in onbekende situaties plotseling erg verlegen zijn. Sommige ouders vinden dit erg vervelend. Maar het is goed om je als ouder te realiseren dat dit verlegen gedrag heel natuurlijk is en ook wel gezond. Het is ook niet goed wanneer een kind zonder enige schroom op iedereen afstapt. Enige terughoudendheid aan het begin van een ontmoeting is prima en geeft enkel aan dat het kind goed het verschil begrijpt tussen bekenden en onbekenden.

Het is ook goed om onderscheid te maken tussen verlegen gedrag en separatie-angst. Beiden kunnen er voor zorgen dat het kind erg aan de ouder hangt, zich verbergt achter de ouder, niets durft te zeggen en geen initiatief tot contact durft te nemen. Maar er ligt iets anders ten grondslag aan het probleem. Een kind met separatie-angst is vooral bang om bij de ouder vandaan te zijn. Een verlegen kind is vooral bang voor het contact wat het aan moet gaan met anderen. Het verschil is het beste te zien wanneer de ouder aanwezig blijft in de situatie waarin het kind met vreemde geconfronteerd wordt. Een verlegen kind zal dan meer moeite hebben met het leggen van contact dan een kind met verlatingsangst.

De meeste peuters/ kleuters stappen wel over hun angst heen wanneer ze de tijd hebben om even te wennen. De ouder kan hierbij helpen door eerste het kind veiligheid te bieden door dicht bij het kind te blijven en dan langzaam de afstand wat te vergroten. Het is ook goed om als ouder het vertrouwen uit te stralen dat je kind zich best redt in deze wat angstige situatie. Door als ouder aan te geven dat je er op vertrouwt dat het kind zich redt zal het kind ook meer op zichzelf vertrouwen, "want mama, papa denkt dat ik het kan". Boos worden heeft in ieder geval enkel een negatief effect omdat het het kind enkel maar meer onzeker zal maken. Maar ook door als ouder steeds het voortouw te nemen of het kind heel veel te helpen, krijgt het kind niet de kans zijn of haar verlegenheid te overwinnen en wordt de verlegenheid dus in stand gehouden. Door het kind wat af te leiden bijvoorbeeld met spel, zal het kind gemakkelijker zijn verlegenheid overwinnen. De aanwezigheid van andere leeftijdsgenootjes kan een kind ook helpen het verlegen gedrag sneller te overwinnen.
Saskia (4 jaar) durft bijna nooit antwoord te geven aan onbekenden die zij tegen komt op straat, in de winkel, op school. Saskia's moeder is dit van haar gewend en laat het op zijn beloop. Groot is dan ook haar verbazing wanneer Saskia voor het eerst een vriendinnetje mee heeft uit school. 's Middags bij het boodschappen doen gaat het vriendinnetje mee en plotseling durft Saskia wel 'dank u wel' tegen de slager te zeggen. Saskia durft zelfs een kort gesprekje te voeren met het meisje achter de kassa nadat haar vriendin dit gesprek gestart is.
Het andere kind voldoet dan als voorbeeldfunctie, maar biedt ook net die extra stimulans om de angst te overwinnen, want "wat zij kan dat kan ik ook".

Basisschoolleeftijd

Ook op de basisschoolleeftijd worden nog veel kinderen (30/40 %) als verlegen ervaren door hun ouders. Tot de leeftijd van 10 jaar worden meer meisjes gezien met verlegenheid dan jongens. Boven de tien jaar is deze verdeling tussen jongens en meisjes gelijk. Kinderen op de basisschoolleeftijd die verlegen zijn, zijn over het algemeen kinderen die onzeker zijn en vaak erg bang voor het oordeel van hun omgeving. Deze kinderen zijn niet gebaat bij lichte druk om meer spontaan te handelen, dit maakt ze enkel meer onzeker. Beter is het om de situatie wat om te vormen of wat andere situaties op te zoeken waardoor het kind positieve ervaring op kan doen in het aangaan van contact waardoor de verlegenheid en onzekerheid langzaam kan afnemen.
Richard (8 jaar) voelt zich altijd erg ongemakkelijk wanneer hij met zijn moeder mee moet naar de verjaardag van een tante waar hij veel mensen niet kent. Hij wil dan alleen maar naast haar zitten en zegt de hele middag niets. Richard's moeder vindt dit erg vervelend voor hem. Dit jaar heeft ze dan ook afgesproken dat ze 's ochtends op visite gaan, wanneer er nog maar weinig ander bezoek is. Richard durft nu wel een beetje te praten en ook een tijdje te tekenen aan de tafel. Zijn moeder is erg tevreden en geeft Richard veel complimenten. Richard geef na afloop aan dat hij het best gezellig vond.

De invloed van de ouders

Ouders kunnen hun kind goed helpen verlegen gedrag te overwinnen. Door eerst steun te bieden, maar daarna het kind wat los te laten en er op te vertrouwen dat het kind zich redt, kan het kind verlegen gedrag overwinnen.
Ouders kunnen ook veel doen om het zelfvertrouwen van hun kinderen versterken. Door veel complimenten te geven, dat wat goed gaat eerst te waarderen, opbouwende kritiek te geven en het kind de gevolgen van zijn of haar gedrag te laten ervaren (u kunt hier uitgebreider over lezen in het artikel "het zelfbeeld van kinderen" in het archief op deze site)

Ouders kunnen het kind ook helpen minder verlegen gedrag te ontwikkelen door al op jonge leeftijd sociaal contact te stimuleren en sociaal gedrag te waarderen. Wanneer kinderen al op jonge leeftijd in aanraking komen met onbekenden en de mogelijkheid krijgen te oefenen met sociaal contact, zal het kind meer zelfvertrouwen ontwikkelen op dit gebied en minder verlegen worden. Al blijft natuurlijk ook het karakter van het kind een rol spelen. Een introvert kind kan ondanks vroeg opgedane ervaring met sociaal contact toch zeer verlegen worden.

Maar de verlegenheid van de ouders zelf is ook van invloed op het kind. In de eerste plaats omdat de ouders natuurlijk een voorbeeldfunctie hebben. Een kind wat verlegen gedrag bij een ouder ziet, zal dit vrij snel overnemen. Maar verlegenheid bij de ouders (nu of in het verleden) kan ook de manier waarop de ouders tegen de verlegenheid van het kind aankijken beïnvloeden. Enerzijds kan het leiden tot meer begrip bij de ouders omdat de ouder het gevoel en gedrag herkent. Maar anderzijds kan het ook leiden tot wat extra druk of stimulans van de ouders, omdat de ouder niet wil dat het kind dezelfde problemen zal krijgen die de ouder zelf heeft gehad als kind.
Ook zien we soms dat ouders die zelf helemaal niet verlegen zijn moeite hebben om om te gaan met het verlegen gedrag van hun kind.

Wanneer hulp zoeken?

Wanneer het verlegen gedrag ook bekenden betreft, ook kinderen betreft of wanneer het kind niet over de verlegenheid heen kan stappen na een periode van wennen en het kind over zich heen laat lopen is er niet meer sprake van gewoon "wat verlegen gedrag". In dit geval is het goed om hulp voor het kind te zoeken. Anders zal het kind in een vicieuze cirkel belanden van geen contact aan durven gaan, hierdoor buitengesloten raken en geen ervaring op kunnen doen, waardoor het kind nog onzekerder wordt en nog minder initiatief tot contact zal durven laten zien. Deze negatieve spiraal zal dan doorbroken moeten worden zodat het kind ook positieve ervaringen kan gaan opdoen in het contact met anderen.

Ook moet er in dit geval goed gekeken worden wat de onderliggende problemen zijn van het verlegen gedrag. De onderliggende problemen zoals faalangst, onzekerheid of een negatief zelfbeeld kunnen dan ook aangepakt worden. Zonder het aanpakken van deze onderliggende problemen zal het zeer moeilijk zijn voor het kind om de verlegenheid te overwinnen.

En verlegenheid overwinnen betekent niet dat het kind niet meer verlegen is, maar wel dat het kind leert omgaan met zijn of haar verlegen gedrag en dat het geen grote belemmering is voor het kind in het dagelijks leven.


Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Vraag per e-mail of advies aan huis


cs-gy-3d-234x16



Literatuur
Ploeg, J. van der (1998) Had me dat eerder verteld. Hoofdstuk 9 blz 100-118. SWP, Utrecht.
Hetherington, E.M. & Parke R.P. (1986) Childpsychology, a contemporary viewpoint. Hoofdstuk7, blz 258 - 264, McGraw Hill International Editions.
Kleijne, G. (1999), Als je kind verlegen is. Kinderen, september 1999.

Flink wat jonge kinderen zijn verlegen. En dat hoeft geen probleem te zijn, wanneer het het kind niet te veel belemert en de verlegenheid na enige tijd van wennen afneemt. Soms is het kind dusdanig verlegen dat wat extra begeleiding wel goed is.
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden