Zelfvertrouwen

Zelfvertrouwen is het vertrouwen dat je als mens hebt in je eigen kunnen en in wie je bent.

Zelfvertrouwen

Drs. Tamar de Vos - van der Hoeven - september 2008

Rosalie (7 jaar) vindt het moeilijk om aan nieuwe taken op school te beginnen. Ze zegt dan vaak het niet te kunnen en heeft er dan veel moeite mee om te beginnen. Op school speelt Rosalie weinig met de kinderen in de klas. Ze heeft één vriendinnetje, die voor Rosalie bepaalt wat ze samen doen en die vaak de baas speelt over Rosalie. Wanneer Rosalie's moeder hier iets van wil zeggen, geeft Rosalie aan dit liever niet te willen. Ze is bang haar vriendin kwijt te raken. Rosalie is in het contact met volwassenen erg verlegen. Ze vindt het moeilijk om te praten met mensen die bij haar thuis langskomen en trekt zich dan liever terug. Rosalie's moeder heeft begrip voor de onzekerheid van haar dochter en schermt haar zoveel mogelijk af voor dat wat haar dochter moeilijk vindt. Rosalie's vader wordt er nog wel eens boos over. Hij vindt dat Rosalie op de leeftijd komt dat ze maar eens wat meer moet gaan durven en doen en denkt dat het helpt haar wat extra te stimuleren door haar zo af en toe te dwingen dingen te doen die ze niet durft.

In het verhaal van Rosalie komen verschillende punten naar voren. Zo lijkt Rosalie erg verlegen, lijkt ze moeite te hebben met het vinden van aansluiting bij leeftijdgenoten en ze lijkt ook last te hebben van faalangst. Het lijken losstaande problemen te zijn maar dat zijn het zeker niet. Het probleem waar Rosalie mee kampt is namelijk een gebrek aan zelfvertrouwen. En vanuit dit gebrek aan zelfvertrouwen kunnen faalangst, sociale angst en verlegenheid goed verklaart worden. Rosalie is erg onzeker over zichzelf en haar ouders slagen er helaas niet in Rosalie meer zelfvertrouwen te geven. Door de beschermende houding van haar moeder, krijgt Rosalie het idee dat ze deze bescherming nodig heeft omdat ze het zelf niet aankan. En door de boosheid van haar vader krijgt ze een nog negatiever beeld van zichzelf en wordt ze gesteund in het idee dat ze veel dingen niet kan. Terwijl beide ouders Rosalie dus met de beste bedoelingen proberen te helpen, ondermijnen ze helaas Rosalie's zelfvertrouwen.

Zelfvertrouwen, wat is dat en hoe krijg je het ?

Zelfvertrouwen is het vertrouwen dat je als mens hebt in je eigen kunnen en zijn. Een kind dat zelfvertrouwen heeft vindt zichzelf de moeite waard, weet waar zijn of haar capaciteiten liggen, maar kent ook zijn of haar eigen beperkingen en heeft er vertrouwen in de taken en uitdagingen die het tegenkomt in het leven aan te kunnen. Een kind met zelfvertrouwen heeft een positief zelfbeeld.
Een kind wordt niet geboren met zelfvertrouwen, al lijkt het ene kind wel meer aanleg te hebben voor het ontwikkelen van zelfvertrouwen dan het andere kind. Het verkrijgen van zelfvertrouwen is een ontwikkelingsproces dat tijd neemt en vaak nog ver tot in de volwassenheid door loopt.

Een pasgeboren baby heeft nog zo weinig besef van zichzelf en de wereld. Een baby ziet zichzelf ook nog niet los van de wereld. Toch is de eerste omgang tussen ouders en kind wel al van invloed op het gevoel van eigenwaarde. Een kind dat liefdevol bejegent wordt ontwikkelt een andere gevoel van eigenwaarde dan een baby die door omstandigheden het met minder liefde en aandacht moet stellen.
Al vanaf de eerste dagen heeft een baby drang om te leren en zich te ontwikkelen. Wanneer de ouders het kind hier in stimuleren, helpen en iedere ontwikkelingstap van het kind waarderen, stimuleren zij het zelfvertrouwen van hun kindje al.

Gijs (7 maanden) is al dagen druk bezig met proberen te gaan zitten. Zijn ouders moedigen hem aan en helpen hem zo af en toe wanneer hij er bijna is, maar het net niet helemaal lukt. Maar ze laten hem vooral veel zelf proberen. Wanneer het Gijs eenmaal is gelukt, reageren ze enthousiast. Gijs straalt en is duidelijk heel erg trots op zichzelf.

Langzaam aan ontdekt het jonge kind een individu te zijn (vanaf ongeveer 1 jaar). Het kind gaat zich een beeld vormen van zichzelf en leert vertrouwen op zijn of haar omgeving. In de eerste jaren vormt het kind zich een zelfbeeld. Dit begint met 'hoe zie ik er uit'. Het kind ontdekt zijn lichaam en langzaam aan wat het er mee kan. En het kind leert zich onderscheiden van anderen. Het ontdekt dat er jongens en meisjes zijn, dat er kinderen en volwassenen zijn en dat er zo nog veel meer onderscheid te maken is tussen mensen. Het zelfbeeld ontwikkelt zich dan van niet alleen 'hoe zie ik er uit' ook naar 'wat kan ik allemaal' en 'wat heb ik allemaal'. In deze fase (meestal zo rond de kleutertijd) wordt het zelfbeeld nog geheel gevormd vanuit de eigen beleving van het kind. Langzaam aan gaan de gevoelens en ideeën van het kind een grotere rol meespelen in het zelfbeeld en raakt het meer gericht op het innerlijk. Minder 'hoe zie ik er uit' en 'wat kan ik', maar meer 'hoe voel ik mij'

Bij het ouder worden, gaan ook steeds meer de reacties uit de omgeving van het kind een rol meespelen bij de vorming van het zelfbeeld van het kind. Het kind merkt dat de omgeving een oordeel heeft over het kind en dat dit niet altijd overeen stemt met de beleving van het kind. Dit oordeel uit de omgeving kan het zelfbeeld enorm beïnvloeden. Het karakter van het kind kan bepalen hoeveel invloed de reactie van een omgeving op het kind heeft, het ene kind is veel gevoeliger voor een reactie uit de omgeving en trekt zich dit veel meer aan dan het andere kind. Maar het karakter van het kind beïnvloed ook weer hoeveel reacties het kind krijgt uit de omgeving. Een introvert, verlegen kind zal minder reacties krijgen dan een extrovert, uitbundig kind. De reacties uit de omgeving van het kind kunnen hierdoor ook het gedrag van het kind in stand houden, omdat het verlegen introverte kind minder positieve reacties krijgt en hierdoor minder gestimuleerd wordt zich wat meer te uiten. Zo wordt het kind onbewust door de omgeving gesterkt in het negatieve zelfbeeld dat het aan het ontwikkelen is.

De leerkracht van groep 4 vond Timo ( nu 9 jaar) een stoorzender in de klas. Hij gaf aan dat Timo vaak door uitleg heen zat te praten, zijn werk niet geconcentreerd deed en veel te druk was in de klas. Timo ging met steeds meer tegenzin naar school en gaf aan het toch niet goed te doen op school. Zijn ouders merkte dat Timo steeds onzekerder werd. In groep 5 trof Timo een juf die zich verdiepte in het storende gedrag van Timo en ontdekte dat Timo vaak door uitleg zat heen te praten omdat hij de uitleg niet nodig had en vaak ook andere kinderen wilde helpen door dingen uit te leggen. Ook merkte ze dat als Timo wat meer en moeilijker werk op kreeg dat hij dan wel geconcentreerd werkte. De juf had een gesprek met Timo waarin ze hem uitlegde waarom zijn door haar uitleg heen praten zo storend was en sprak met hem af dat hij, wanneer hij dacht een uitleg niet nodig te hebben, even iets voor zichzelf zou gaan doen. Ook besprak ze met hem dat ze het idee had dat hij wel wat moeilijkere stof aan kon. Timo leefde na dit gesprek met de juf helemaal op, ging weer met plezier naar school en zijn onzekerheid nam weer af. En doordat Timo weer beter in zijn vel zat, was hij voor de juf ook beter aanspreekbaar op het drukke gedrag dat hij nog steeds wel liet zien in de klas.

Kinderen gaan zich in deze fase ook steeds meer gedragen naar de verwachtingen die de omgeving aan ze stelt. Vrienden worden in deze fase ook belangrijk en de norm van de groep gaat steeds zwaarder wegen bij de beoordeling van zichzelf. Het zelfbeeld wordt nu minder gevormd op basis van wat het kind doet, maar meer op basis van de reactie die het krijgt op zijn of haar gedrag. En dat kan soms best verwarrend zijn voor een kind. Want gedrag dat door vrienden gewaardeerd wordt kan door ouders wel afgewezen worden. En bescheiden verlegen gedrag kan door de ene leerkracht wel gewaardeerd worden terwijl de andere leerkracht vindt dat het kind maar 'wat meer pit moet tonen'. Een kind krijgt vele uiteenlopende reacties uit zijn omgeving en moet hieruit een zelfbeeld vormen.

Het kind leert nu ook zien waar de eigen mogelijkheden en capaciteiten liggen, maar moet als tegenhanger ook leren waar zijn of haar capaciteiten niet liggen en leren omgaan met dit onvermogen. Toch zien we in deze fase over het algemeen een toename in het zelfvertrouwen, omdat het kind steeds meer kan en steeds zelfstandig wordt.
Overigens kan het zelfvertrouwen van een kind ook een flinke deuk op lopen. Een lagere schoolleerling die vol zelfvertrouwen is, kan best op de middelbare school zich ontwikkelen tot een kind met weinig zelfvertrouwen, doordat het ervaart dat de stof op de middelbare school toch een stuk moeilijker is en het kind plotseling niet meer bij een van de beste van de klas hoort.

Hoe stimuleer je zelfvertrouwen ?

Om een goed zelfvertrouwen te kunnen ontwikkelen moet een kind een goed gevoel over zichzelf hebben. Ouders kunnen veel doen om bij te dragen aan dit goede gevoel. Door het kind te waarderen en de ruimte te geven zich te ontwikkelen.
Het is heel belangrijk dat ouders eisen en verwachtingen aan hun kind stellen die aansluiten bij het ontwikkelingsniveau. Te weinig of geen eisen of verwachtingen aan een kind stellen stimuleert het kind niet zich te ontwikkelen. Maar het geeft het kind ook het gevoel dat de ouders er niet op vertrouwen dat het kind deze eisen aan zal kunnen of niet aan verwachtingen zal kunnen voldoen. Het kind voelt zich onderschat. Het 'zelluf doen' van een peuter is dan ook heel belangrijk, ook nog wanneer het kind de peuterfase al lang achter zich heeft gelaten. Door dingen zelf te kunnen en ook het vertrouwen van de ouders te krijgen dat het kind dat (aan)kan, ontwikkelt een kind vertrouwen in zichzelf.
Te hoge eisen of verwachtingen aan het kind stellen werkt begrijpelijk als zeer demotiverend en kan een kind een enorm onzeker gevoel geven.

De eisen en verwachtingen die aan een kind gesteld worden mogen best iets van het kind vragen, of te wel het kind wat uitdagen. Enige frustratie hoeft hierbij ook niet uit de weg gegaan te worden. Wat frustratie kan het kind stimuleren en uitdagen. Soms kan het ook goed zijn om een kind te stimuleren toch iets te gaan doen wat het eigenlijk nog niet kan of niet durft. Het is een enorme impuls voor het zelfvertrouwen wanneer een kind iets leert dat het eerst nog niet kon of niet durfde. Maar uiteindelijk moeten de eisen en verwachtingen wel haalbaar zijn voor het kind.
Het kind heeft stimulatie nodig op zowel het verstandelijke, het motorische als ook het sociaal emotionele vlak , om een goed zelfvertrouwen te ontwikkelen.

Voor het ontwikkelen van een goed zelfvertrouwen moet een kind opgroeien in een veilige omgeving waar het onvoorwaardelijke liefde krijgt, veel waardering en aanmoediging, sturing in de vorm van structuur, regelmaat, duidelijke grenzen, correctie en stimulatie (bv door beloning en waardering) en erkenning en acceptatie van gevoelens, eigenheid en privacybehoefte.

Als ouder heb je ook een belangrijke voorbeeldfunctie. Een ouder die zelfvertrouwen uitstraalt brengt dit ook over op zijn of haar kind. Nu betekent dit niet dat een ouder met wat minder zelfvertrouwen dus minder goed is voor een kind, maar het is wel goed om als ouder, daar waar mogelijk wel zelfvertrouwen te tonen. Door het kind juist ook die dingen te laten zien waar je als ouder je zeker in voelt. Maar durf als ouder ook je eigen fouten toe geven. Zelfvertrouwen betekent ook dat je om kan gaan met je minder sterke kanten en durven toegeven dat je iets niet goed kan of dat iets je niet ligt.

Een positieve benadering van het kind is heel belangrijk voor het zelfvertrouwen. Wanneer ouders vertrouwen hebben in het kunnen van hun kind, durft het kind ook zelf meer te vertrouwen op wat hij of zij kan of kan leren. Belangrijk hierbij is dat het kind niet te veel wordt vergeleken met andere kinderen. Ieder kind moet binnen zijn eigen mogelijkheden beoordeelt worden en moet de ruimte krijgen een eigen individu te zijn.

Ouders helpen hun kind enorm door het kind zelf keuzes te laten maken en zelf idealen te laten bepalen en hierna het kind te helpen bij het behalen van deze idealen en het naleven van de eigen keuzes. Belangrijk hierbij is dat ouders onrealistische verwachtingen bij hun kind bespreken en proberen het kind te laten zien dat deze verwachting onrealistische is. Dat kan heel moeilijk zijn voor het kind, maar het kind moet ook zijn eigen beperkingen leren onder ogen zien en leren accepteren.

De ouders van Rebecca (13 jaar) maken zich zorgen om hun dochter. Rebecca is zeer fanatiek aan het turnen omdat zij graag in de selectie wil komen. Haar trainster heeft al meerdere keren aangeven dat dit er niet inzit, dat Rebecca niet over het talent beschikt om aan de selectie te kunnen deelnemen. Omdat de ouders van Rebecca zagen hoe belangrijk het in de selectie komen is voor Rebecca en omdat ze dachten dat Rebecca zich best nog kon ontwikkelen op dit vlak hebben ze haar gesteund in haar pogingen om toch in de selectie te komen. Maar ondertussen zien ze dat dit er echt niet inzit voor Rebecca, dat Rebecca iets nastreeft dat niet haalbaar is voor haar. En ze merken dat dit duidelijk zijn weerslag heeft op Rebecca. Haar ouders besluiten met haar hierover te praten. Rebecca is in eerste instantie heel boos en teleurgesteld en wil stoppen met turnen. Haar ouders praten veel met haar en weten haar uiteindelijk te laten inzien hoeveel plezier het turnen zelf haar geeft en hoe trots zij op haar zijn hoever ze gekomen is met turnen en op de inzet die zij hier voor getoond heeft. Rebecca pakt het turnen dan weer op en ervaart hoeveel plezier ze er aan beleeft, nu ze niet meer iets nastreeft dat voor haar niet haalbaar is.

Zoals al eerder gezegd is voor het zelfvertrouwen zelfstandigheid ook heel belangrijk. Kinderen moeten de ruimte krijgen om dingen zelf te doen en zelf te ontdekken. En dus ook zelf fouten te maken. Het kind moet de ruimte krijgen om zelf de verantwoordelijkheid te nemen over bepaalde zaken. Hetgeen natuurlijk niet inhoudt dat het kind hier niet bij begeleid mag worden. Vooral bij wat moeilijkere taken kan het voor een kind heel fijn zijn wanneer de ouders het kind wel op weg helpen en in de achtergrond begeleiden. Zelfstandigheid en verantwoordelijkheidsgevoel is iets dat zich moet ontwikkelen en waar een kind naartoe begeleid moet worden. Ouders helpen hierbij door het kind eerste te begeleiden, te leren hoe je dingen kunt aanpakken en waarom dingen soms niet lukken en dan langzaam aan steeds meer een stapje terug te doen.

Zijn ouders bepalend voor het zelfvertrouwen van hun kind ?

Ouders hebben zeker invloed op het zelfvertrouwen van hun kind. Maar ook vele andere factoren zijn van invloed van het zelfvertrouwen van het kind, zoals de aard van het kind, de capaciteiten van het kind, de reactie en stimulatie die het kind krijgt uit de omgeving en de mogelijkheden tot ontwikkeling die het kind geboden kunnen worden. Ouders zijn dus wel belangrijk voor de ontwikkeling van het zelfvertrouwen van het kind, maar niet op zichzelf bepalend. Een kind met weinig zelfvertrouwen kan enorm goed begeleid zijn door de ouders, terwijl een kind met veel zelfvertrouwen dit zelfvertrouwen misschien wel heeft ontwikkeld door hele andere factoren dan de steun van de ouders.


Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Vraag per e-mail of advies aan huis


cs-gy-3d-234x16


Informatie voor dit artikel komt van:
www.zelfvertrouwen.nl
Schiet, M. (2005), Je kunt het. Zo stimuleer je het zelfvertrouwen bij kinderen van 0-9 jaar. The House of Books, Vianen/ Antwerpen

Zelfvertrouwen is het vertrouwen dat je als mens hebt in je eigen kunnen en in wie je bent.
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden