Ik moet dat doen

Een dwangstoornis heeft een grote invloed op een kind en zijn/haar omgeving
Ik MOET dat doen.

Drs. Tamar de Vos - van der Hoeven - november 2018
Wanneer een peuter of kleuter aangeeft op straat niet op de zwarte tegels te mogen stappen, vertelt bang te zijn met het badwater mee in het doucheputje te kunnen verdwijnen of zijn sap persé uit een blauwe beker wil drinken, zal geen ouder zich daar zorgen om maken. Jonge kinderen kunnen nog heel magisch denken. Ze geloven dat hun gedachten en handelingen de wereld kunnen beïnvloeden. Maar wanneer ouders dit soort gedachten bij hun oudere kind waarnemen, zullen ze zich wel afvragen wat er aan de hand is. Het magische denken verdwijnt naar mate het kind ouder wordt en kinderen krijgen een beter besef van hun invloed op de wereld om zich heen.

Toch zijn er ook oudere kinderen die strikte regels hebben over bijvoorbeeld waar ze wel of niet mogen lopen op straat of uit welke beker wel of niet gedronken kan worden. Niet vanuit magisch denken, maar vanuit dwanggedachten.
dwang handen wassen
Een dwangstoornis

Kinderen met een dwangstoornis ( officieel heet dit een obsessieve-compulsieve stoornis) hebben last van dwanggedachten en dwanghandelingen. Dwanggedachten zijn negatieve en zinloze gedachten en impulsen die steeds terugkeren en nauwelijks te stoppen zijn. Je kan deze gedachten ook obsessies noemen.
Om wat voor gedachten gaat het dan? Dit kunnen gedachten zijn met betrekking tot angst voor besmetting en ziektekiemen. Of gedachten over nare dingen die zouden kunnen gebeuren en waar het kind invloed op denkt te kunnen hebben ("Als ik steeds aan papa denk, komt hij veilig thuis"). Kinderen kunnen ook vrezen dat wat zij denken ook echt kan gebeuren en hierdoor angstig worden iemand anders of zichzelf te bezeren. Ook de behoefte alles in vaste volgorde te doen, steeds terugkerende seksuele gedachten, bijgeloof en obsessie met symmetrie en aantallen (alles moet 4 keer gebeuren) zijn dwanggedachten. Ook zien we verzamelwoede van dingen zonder waarde (pluisjes, gumschraapsel, lege verpakkingen etc.), voortdurende twijfels of je iets wel gedaan hebt of streven naar niet-haalbare perfectie.

Deze gedachten leiden vaak tot dwanghandelingen om de gedachten te onderdrukken of de angst te verlichten. Het kind wast steeds de handen om de angst voor ziektekiemen te onderdrukken. Andere kinderen lopen steeds alles te controleren, om zo de angst iets te vergeten te onderdrukken of om zeker te weten dat er niet iets naars kan gebeuren (alle deuren zitten op slot zodat er niet ingebroken kan worden). Door steeds vragen te stellen proberen kinderen hun voortdurende twijfels en angsten weg te krijgen. Ook zien we dwanghandelingen zoals het voortdurend aanraken van dingen, tellen, steeds dingen recht zetten, verzameldrift of dingen alleen in een vaste volgorde willen/ kunnen doen. Wanneer het kind de dwanghandelingen niet kan uitvoeren, voelt het zich hier heel naar bij.

Al deze handelingen laten voor korte tijd de angsten en zorgen afnemen. Hierdoor houden de handelingen aan, omdat al snel de angst en de dwanggedachten weer terugkeren en dan opnieuw onderdrukt moeten worden met een dwanghandeling. Langzaamaan zijn steeds meer dwanghandelingen nodig om de angst te onderdrukken. Zo belandt het kind in een negatieve spiraal waarbij dwanggedachten en dwanghandelingen elkaar in stand houden. Het feit dat de dwanghandeling even verlichting brengt, versterkt het geloof in de dwanggedachte: "ik was bang voor bacteriën en voelde me beter toen ik mijn handen kon wassen. Zie je wel, als ik maar geen bacteriën op me heb, voel ik me beter. Bacteriën zijn gevaarlijk." En het geloof in de dwanghandeling zelf neemt ook toe, omdat het kind niet de kans krijgt te ervaren dat er ook zonder de handeling niets naars gebeurt. "Ik zette al mijn boeken recht en daardoor ging alles goed"

Naast dwanghandelingen zien we ook dat kinderen vermijdingsgedrag gaan vertonen. Door situaties en handelingen te vermijden, worden de dwanggedachten onderdrukt en worden bepaalde dwanghandelingen overbodig. Wanneer een kind bijvoorbeeld bang is voor ziektekiemen op de deurknoppen op school, kan het steeds zorgen achter iemand te lopen, die de deuren dan open maakt. Zo heeft het kind het gevoel niet bang te hoeven zijn voor ziektekiemen en hoeft het niet steeds de handen te wassen. Maar wanneer er eens niemand is om achteraan te lopen, wordt het probleem alleen maar groter.
deur steeds sluiten
Meestal beseffen kinderen best dat hun gedachten overdreven zijn en dat de handelingen die ze uitvoeren eigenlijk niet nodig zijn. Maar het gevoel is zo sterk, dat ze er toch niet in slagen de gedachten als onzinnig aan de kant te schuiven of de handelingen een halt toe te roepen. En juist dat is een belangrijk punt bij het vaststellen van een dwangstoornis. Ieder kind (en volwassene) heeft wel eens dwanggedachten. We zijn allemaal wel eens onnodig bang dat we een dierbare verliezen, we twijfelen allemaal wel eens of we de deur nou wel op slot gedraaid hebben en na een treinrit met een verkouden medereiziger hopen we niet zelf verkouden te worden. Maar deze gedachten kunnen we weer loslaten, direct of na het eenmalig checken van de deur of het bellen van onze dierbare. Iemand met een dwangstoornis blijft er mee bezig, ook na veelvuldig checken.
De dwangstoornis heeft dus echt grote invloed op het dagelijkse functioneren. Kinderen met een dwangstoornis zijn hier minimaal één uur per dag mee bezig en vaak veel langer.

Een kind met een dwangstoornis

Dwangstoornissen bij kinderen ontstaan meestal zo rond het tiende levensjaar. Soms is er ook iemand anders binnen de familie die worstelt met een dwangstoornis, maar vaak is dit niet het geval.
Dwangstoornissen gaan gepaard met stress, angst en schaamte. De dwanggedachten zijn vaak beangstigend voor het kind. Het raakt hierdoor gestrest en deze stress neemt nog toe waneer een dwanghandeling niet meteen uitgevoerd kan worden. Kinderen beseffen vaak ook wel dat hun gedachten vreemd zijn en schamen zich hiervoor. Regelmatig worden deze emoties geuit in lichamelijke klachten zoals hoofdpijn en buikpijn. Soms krijgen kinderen met een dwangstoornis ook last van depressieve klachten.

Een kind met een dwangstoornis kan veel invloed hebben op het gezinsleven. Deze kinderen stellen vaak allerlei eisen aan hun gezinsleden en broers, zussen en ouders worden vaak onderdeel gemaakt van de dwanghandelingen en rituelen. Ze hebben de functie van vraagbaak en helpen het kind geruststellen ("Ja, je hebt de deur dicht gedaan" "Nee, je wordt niet ziek van het aanraken van de deurknop"). Ze moeten rekening houden met een vaste volgorde waarin dingen moeten gebeuren of waarin voorwerpen moeten staan en er moet rekening gehouden worden met veel rituelen. De (af)was moet bijvoorbeeld steeds op een specifieke manier gedaan worden of bij het weggaan moet de deur altijd vijf keer op slot gedraaid worden etcetera. Vaak wordt vermijding ook mogelijk gemaakt door gezinsleden. Het kind hoeft bijvoorbeeld niet te helpen met afruimen of de vaatwasser inruimen omdat het dat erg vies vindt. Kinderen zijn zich er vaak van bewust dat ze veel vragen van hun gezinsleden, hetgeen kan leiden tot schuldgevoelens.
gedachten ombuigen
Hulp zoeken.

Wanneer een kind zo af en toe last heeft van dwanggedachten of dwanghandelingen uitvoert, maar hier zelf niet zoveel last van heeft, hoeft niet meteen hulp gezocht te worden. Veel mensen hebben wel eens last van dwanggedachten en meestal verdwijnen deze vanzelf weer. Zeker kinderen groeien hier veelal over heen. Het hoort bij hun ontwikkeling. Bij het ouder worden krijgt het kind meer grip op de eigen gedachten en handelingen en kan het ongewenste gedachten beter ter zijde schuiven. Rituelen kunnen ook op dwanghandelingen lijken, maar zijn dit niet, omdat ze niet samenhangen met dwanggedachten en het kind er over het algemeen best mee om kan gaan (ondanks misschien wat verzet en gemopper) wanneer het ritueel een keer verstoord wordt.
Wanneer een dwanghandeling onderbroken wordt, leidt dit tot angst, boosheid en opwinding. Het kind zal meestal alles op alles zetten om de dwanghandeling alsnog uit te voeren. Vaak moet dan helemaal van voren af aan begonnen worden, omdat de volgorde van handelingen ook van groot belang is.

Wanneer de dwanggedachten en -handelingen het leven van het kind wel echt beïnvloeden, is het goed om hulp te zoeken. De kans dat een kind zonder hulp een dwangstoornis weet te overwinnen is namelijk klein. Professionele begeleiding is dan nodig om het kind te leren omgaan met de dwanggedachten en de omgeving van het kind te instrueren hoe zij het kind hierbij het beste kunnen helpen.

De behandeling van een dwangstoornis bestaat meestal uit cognitieve gedragstherapie, soms gecombineerd met medicijnen. Cognitieve gedragstherapie is een behandeling waarbij gekeken wordt naar het gedrag en de gedachten die dit gedrag (en dus ook het probleem) in stand houden. Binnen de behandeling wordt bekeken welke dwanggedachten het kind heeft en hoe deze gedachten omgebogen kunnen worden naar andere, minder belastende gedachten of hoe de gedachten een halt toegeroepen kan worden. Een onderdeel van deze behandeling is blootstelling aan dat wat het kind moeilijk vindt, met daarbij responspreventie (voorkomen dat het kind op een bepaalde manier kan reageren). Een kind dat bang is ziek te worden van het aanraken van de knoppen van de kraan in de wc, wordt gestimuleerd dit toch te doen zonder hier een mouw of handdoek bij te gebruiken. Zo leert het kind ervaren dat er niets gebeurt wanneer het datgene doet waar het bang voor is. De angst kan zo uitdoven.
Vaak is dit niet in één keer te bereiken, wanneer dit zo eenvoudig zou lukken, zou het het kind en de ouders zelf wel al gelukt zijn. In de behandeling wordt dan vaak ook een stappenplan opgezet, waarbij het kind steeds iets meer de dwanghandeling(en) afbouwt. Zo hoeft het kind niet meteen te stoppen met het checken van de sloten, maar worden afspraken gemaakt dit eerst nog meer twee keer te doen in plaats van vijf keer.

Gezinsleden krijgen informatie over de dwangstoornis, zodat zij deze beter leren begrijpen en instructies hoe zij het kind kunnen helpen. Want meegaan in de dwang lijkt op het eerste gezicht misschien het beste voor het kind (omdat het kalmeert/ niet bang hoeft te worden), op de langere termijn is het kind hier zeker niet mee geholpen. Door mee te gaan in de dwang krijgt het kind een verkeerde boodschap, namelijk dat de zorgen terecht zijn en de dwanghandelingen noodzakelijk. En het kind krijgt vaak alle kans dingen te vermijden. Door juist niet mee te gaan in de wensen en eisen van het kind, leert het de confrontatie aan te gaan met de zorgen/ angsten achter de dwanggedachten en -handelingen en deze te overwinnen.


Er zijn een paar boeken voor kinderen over OCD. Voor meer informatie en de mogelijkheid om het boek te kopen bij bol.com klik je op de titel:
- Wat kun je doen als je gedachten vastlopen, een help-oefenboek voor kinderen met OCS, Dawn Huebner (7 tot 11 jaar)
- Bedwing je dwang werkboek, L. Wolters (7 tot 18 jaar)
- De Goudvisjongen, Lisa Thompson (10 tot 13 jaar)
- Uit de greep van OCD, Handboek voor jongeren en hun omgeving, Jo Derisley (14 tot 18 jaar)
- Schildpadden tot in het oneindige, John Green (14 tot 18 jaar)

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u een persoonlijk advies, dan kunt u hier terecht: Stel uw vraag of advies aan huis


Informatie voor dit artikel komt van:
https://www.kenniscentrum-kjp.nl/professionals/dwang/
Derisley, J. (2009) Uit de greep van OCD. Uitgeverij Pica
https://www.ouders.nl/artikelen/als-je-kind-een-dwangstoornis-heeft








Een dwangstoornis heeft een grote invloed op een kind en zijn/haar omgeving
Auteursrechten nadrukkelijk voorbehouden